Nederlandse mijnslachtoffers geëerd

De mijnramp in Chili trekt veel aandacht. Ook bij de winning van steenkool in Limburg gebeurden destijds volop ongelukken. Zaterdag werd een monument onthuld voor slachtoffers van de Staatsmijn Hendrik in Brunssum.

Het duurde even voordat het nieuws het dorp Eys bereikte. Finy Geurts-Schmetz was dertien toen haar vader op 24 maart 1947 met twaalf anderen omkwam bij een brand in de Staatsmijn Hendrik, 636 meter onder de grond. Ongeveer dezelfde diepte waarop nu 33 Chileense mijnwerkers wachten op redding. Na zes weken werden de lichamen gevonden, althans wat er nog van over was.

Voor de houding van de directie van destijds heeft ze weinig goede woorden. „Moeder moest nog 2 gulden en 68 cent terugbetalen, omdat mijn vader zijn dienst niet had afgemaakt. Bij een paar diensten ter nagedachtenis aan mijn vader hebben zich nog wat functionarissen laten zien. Die missen waren ’s ochtends, op de nuchtere maag. Na afloop kwamen ze bij ons hun maag vullen. Eten hadden we niet. Alles was nog op de bon. Bij boeren in de omgeving wisten we wat bij elkaar te sprokkelen.”

Het was lastig na vaders dood. Maar ze hebben het gered. Dat er nu zoveel jaren later een monument is voor de 177 mijnwerkers die in vijf decennia bij de Staatsmijn Hendrik in Brunssum het leven lieten, biedt troost. „Het is goed zo.”

Een schachtwiel en een plaquette herinneren aan hen die omkwamen. Hoogwaardigheidsbekleders houden een praatje bij de onthulling. Een mannenkoor en een schalmeienkorps zorgen voor muziek. Kees Zentveld (76) woont de plechtigheid bij in mijnwerkersornaat. Midden jaren vijftig moest hij trouwen. Maar in Noord-Holland, waar hij opgroeide, heerste woningnood. „Mijnwerkers kregen binnen een half jaar een huis. Dus ging ik naar Limburg. Ik begon in februari 1956. Toen ik op de eerste dag naar beneden ging, werden net een dode en een zwaargewonde naar boven gehaald. Een tweeling uit Alkmaar, die ook de eerste dienst draaide, maakte rechtsomkeert.”

Zentveld zette door. Tegen de zin van zijn familie. „In augustus 1956 kwamen in het Waalse Marcinelle 262 mensen om bij een mijnramp. Moeder was zo van streek, dat ze een treinkaartje en een sollicitatieformulier voor de Hoogovens stuurde.”

Hij bleef. Zeventien jaar werkte Zentveld ondergronds. „Met alle gevaren van dien: als je het steen niet beheerst, beheerst het steen jou.”

Na de mijnsluitingen werd het verleden in rap tempo uitgewist. De laatste jaren herleeft de interesse, ook voor het verhaal van de mijnwerkers.

Dankzij de inspanningen van Martin Herbergs (75) en enkele anderen ging in 2002 een gedachteniskapel open voor de 1.456 slachtoffers van alle ongelukken uit de Limburgse mijngeschiedenis. Het idee ontstond in 1973, toen hij zijn zoon de Staatsmijn Wilhelmina bij Terwinselen wilde laten zien. „Alles was al weg, maar aan de voet van de steenberg stond nog het lijkenhuisje dat elke mijn verplicht moest hebben. Niemand zag mijn idee voor een gedachteniskapel toen zitten. Nu die er is, branden er altijd kaarsen.”

Herbergs leeft mee met de Chileense mijnwerkers. „Ruimtevaarders worden opgeleid om een tijd in afsluiting door te brengen. Mijnwerkers niet. Dat gaat trauma’s opleveren. Laatst sprak ik nog familie van iemand die hier in Limburg na een mijnongeval vijf dagen op hulp moest wachten. Zijn vrouw zei naderhand: ‘Het was mijn man niet meer.’ ”