Mat makende mismoedigheid in Koerdisch Halabja

In 1988 gebruikte Saddam Hussein gifgas tegen het Koerdische Halabja.

De bevolking moet nu toezien dat al het hulpgeld verdwijnt.

Het was avond. We waren op de terugweg naar Erbil ter hoogte gekomen van de Saddambunker waar ik ’s morgens was gestopt en die nu felverlicht in het donker opdook. Op dit punt van de terugreis gekomen realiseerde ik me opeens dat ik geen aantekeningen had gemaakt in Halabja. Ik was me ervan bewust dat dat kwam door de acute verslagenheid die me daar in het stadje had overspoeld.

De rit terug naar Erbil ging langzaam, tergend langzaam. De chauffeur schold op de gaten en kuilen in de weg en op de corrupte Koerdische leiders.

In Halabja had ik die dag de onverschilligheid van die leiders tegenover hun eigen burgers gezien. Halabja, waar in maart 1988 tussen de 3.200 en 6.000 mensen omkwamen door Saddams gifgas, is als herdenkingsoord een schande. De schande is niet dat het monument en het wassenbeeldenmuseum in brand zijn gestoken – dat heeft de bevolking van Halabja zelf gedaan. De schande is dat die bevolking geen cent heeft gezien van alle buitenlandse hulp. De schande is dat de meeste huizen niet meer dan cementen hutjes zijn, dat het rioolwater door de straten stroomt, dat er geen bestrating is. De schande is dat Koerdische leiders van het autonome Koerdistan de buitenlandse schenkingen voor de wederopbouw van Halabja en voor de medische verzorging van de slachtoffers in eigen zak hebben gestoken.

Op de herdenkingsdag van de vergassing van Halabja waren de inwoners van de stad naar het monument getrokken. Ze hadden er genoeg van om steeds opgetrommeld te worden als er weer een hoge bezoeker per helikopter kwam, die een krans legde, geld toezegde en na een uurtje weer verdween. En van het geld zag nooit iemand in Halabja iets. Tijdens de demonstratie werd er geschreeuwd, gerechtigheid geëist, er werd een steen gegooid, er vielen klappen, de politie schoot een jongen dood, de vlammen sloegen uit het wassenbeeldenmuseum en schoten hoog op tussen de twee reuzenhanden die alsof ze kronkelen van de pijn naar de hemel reiken.

Toen ik er was, meer dan een jaar later, was er niets opgeruimd, niets veranderd. Ik trapte op de scherven van de door de hitte geknapte zwarte glaspanelen waarop de namen waren geschreven van de slachtoffers van de gifgasaanval. Ik liep er rond en wist niet wat ik moest denken, ik wist niet welke betekenis ik eraan moest geven. Een mat makende mismoedigheid had zich van mij meester gemaakt.

Gewoonlijk zou ik in het kleine zwarte gelinieerde notitieboekje, dat altijd in mijn tas zit en dat in de palm van mijn hand past, hebben geschreven dat de bekende beelden van de Iraanse foto’s en films van de vergassing van Halabja hier in het museum in de vorm van wassen poppen waren tentoongesteld: de voorovergevallen vader, met zijn hoofd op de drempel van zijn huis, zijn ingezwachtelde kind onder de arm; de vergaste moeders en hun kinderen.

Ik zou hebben genoteerd dat ze waren gesmolten en verbrand en hier verwaarloosd lagen, dat hun brokstukken door niemand waren opgeruimd.

Ik zou hebben genoteerd dat de airco’s van de muren waren gerukt, dat de helderblauwe tegels van de fontein besmeurd waren en met onkruid overwoekerd, dat er tegels en lampen uit de wanden waren gevallen.

Ik zou genoteerd hebben dat de jonge boompjes, tijdens de opening van het monument door de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell geplant, door gebrek aan water waren verdord. Dat het enige wat er bloeide koolzaad was.

Ik zou genoteerd hebben dat de vloer van het museum bezaaid was met opengeknapte zonnebloempitten, uitgespuugd door mannen en vrouwen die hier op de muurtjes hebben gezeten en naar het verwoeste monument hebben gekeken. Ik zou de sigarettenpeuken genoteerd hebben die tussen duim en wijsvinger waren weggeschoten en in het dikke stof waren uitgedoofd. Ik zou genoteerd hebben dat onder de honderden zerken op de grasheuvel geen lijken liggen. Dat de lijken die bij de namen horen nog in de kuilen liggen die werden gegraven in de eerste dagen na de gasaanvallen. Ik zou ook als anekdotische illustratie voor de oude haat tegen de Arabieren in mijn boekje hebben opgeschreven wat de gemeente in rode letters op een bord, bij de ingang tot de begraafplaats had geverfd: ‘It’s not allowed for Baaths to enter’.

Pas bij de Saddambunker in de buurt van Dokan besefte ik dat ik dat alles niet had genoteerd en dat de details van de afgelopen dag geen nieuwe inzichten hadden gegeven.

Ik besefte dat wat ik te vertellen zou hebben slechts een herhaling was van het aloude verhaal van machtige mannen die het leven van de mensen die zij zeggen te beschermen verruïneren.

De bunker was helder verlicht. De steile wanden van de vulkaankrater erachter tekenden zich zwart af tegen de vallende avond. Er reed een militair voertuig het pad op naar de gevangenis, maar ik deed mijn ogen dicht, en verfoeide deze dag.

Betsy Udink is schrijfster en journaliste. Haar boek ‘In Koerdische kringen’ verscheen vorige maand.