Champions League moet Amerikaanser

Vorige week bleek gelukkig dat een kleine club als Twente nog kan stunten tegen een grootmacht als Inter. Maar hoe lang nog, vraagt Hans Vandeweghe.

Vijftien jaar geleden was Real Madrid in Europa kansloos tegen Ajax, vorige week waren de rollen omgekeerd. De kloof tussen de clubs uit de grote en kleine voetbaleconomieën groeit schrikwekkend snel, onder meer met dank aan de hoogst oneerlijke geldverdeling in de Champions League, zoals vorige week in deze krant beschreven.

Het was alweer de editie 2004-2005 toen een team uit een kleine voetbaleconomie de halve finale speelde. Dat was PSV. Een jaar eerder won met FC Porto zelfs een team uit een klein land de hele Champions League, maar dat was een ongelukje en dus niet voor herhaling vatbaar. Gevolg: Porto werd leeggekocht en internationaal succes bleef voortaan uit.

In de eerste editie van de Champions League, seizoen 1992-3, kregen de acht clubs onderling 29 miljoen euro te verdelen. Dat ging volgens de klassieke Europese, dus meritocratische principes: wie het best presteerde, verdiende het meest.

Vanaf 1999-2000 veranderde het herverdelingssysteem drastisch. De (toen nog) G14 – de belangengroepering van de meest vooraanstaande voetbalclubs waar PSV en Ajax ook lid van waren – eisten meer geld: ineens stegen de te verdelen opbrengsten van 135 miljoen euro naar 405 miljoen euro. Er was nog een voorwaarde: de grote clubs wilden zich verzekerd zien van inkomsten in geval van deelname. De UEFA stemde in en ontwikkelde een herverdelingsmechanisme dat ze de naam ‘Market Pool’ gaven. De Market Pool bestemde de helft van de opbrengsten nog voor er één bal was getrapt. Het mechanisme baseerde zich voor de verdeling van het geld op de waarde van de tv-contracten voor de Champions League in de verschillende landen.

De geest was uit de fles.

UEFA-voorzitter Michel Platini beloofde in 2007 bij zijn aantreden de Champions League toegankelijker te maken voor de clubs uit de kleine landen. Daar is niks van terechtgekomen. De kleine kampioenen overleven een ietsje makkelijker de voorrondes, maar Platini had beter iets gedaan aan de herverdeling van het geld.

De hele Champions League is een financieel misbaksel dat het concept competitief evenwicht serieus in gevaar brengt. Gelukkig is dit voetbal een ‘oneerlijke’ sport waar een club – hoe klein en arm ook – altijd een kans heeft, zoals debutant FC Twente vorige week liet zien tegen regerend kampioen Inter.

Zo gek zijn de Amerikanen misschien nog niet als ze hun gesloten competities als één businessmodel managen en de teams als franchises bestempelen. In de VS wordt het talent herverdeeld: in het draftsysteem kunnen de minst goede teams eerst kiezen uit de beschikbare spelers. Ook de inkomsten worden in grote mate herverdeeld, in zoverre dat een kleine markt als San Antonio het voorbije decennium drie basketbaltitels in de NBA pakte. Naar Europa vertaald is dat FC Kopenhagen dat drie Champions League-finales zou winnen.

Binnen de Europese cultuur lijkt deze Amerikaanse aanpak nu nog ondenkbaar, maar een tussenvorm zou een stap terug kunnen zijn naar het vroegere systeem waarbij de verdiensten in hoge mate worden bepaald door de prestaties en niet door hoe rijk je nu al bent in je eigen land. Zonder een andere financiële herverdeling hebben we sneller dan we denken een Champions League waarbij we in september al bijna zeker weten wie in mei de finale speelt.

De Belgische advocaat Luc Misson, de man achter Jean-Marc Bosman en het Bosmanarrest, pleitte recent voor een hertekening van het Europees voetballandschap waarbij teams uit verschillende landen volgens economische criteria in diverse Europese competities zouden uitkomen. Ooit komt het ervan, maar tegen die tijd zal de afstand tussen de topclubs uit de grote voetbaleconomieën en de andere clubs onoverkomelijk groot zijn.

Hans Vandeweghe is docent sportmanagement aan Vrije Universiteit Brussel en senior writer voor Het Nieuwsblad-De Standaard.