Alle dagen maïspap

We moeten allemaal eten. Dus eten is voor iedereen belangrijk. Na die basisconstatering is eten vervolgens voor mensen overal iets heel anders. Het maakt enorm veel verschil hoe dicht je nog bij het gevoel zit dat eten een eerste levensbehoefte is. Wij, behoorlijk rijke westerlingen, weten dat wel maar hoeven dat bijna niet te voelen. We besteden een verrassend klein deel van ons inkomen aan eten, maar 11 procent.

In Dickson in Malawi is dat anders. We konden er zaterdag over lezen in het weekblad van deze krant. Redacteur Dick Wittenberg, die vijf jaar geleden voor het eerst over het angstaanjagend arme dorpje Dickson schreef, was er nu weer, om te kijken hoe de hulp van NRC-lezers had uitgepakt. Het ging de mensen in Dickson behoorlijk goed. Ze hadden te eten, ook in de regentijd als er geen maïs geoogst werd. Alles draaide om die maïs, want had je maïs dan had je in ieder geval iets te eten. De dorpelingen van Dickson konden geen andere aspiraties hebben dan dat: maïspap in je maag. Niet sterven van de honger.

Nu gaat het ze beter en houden sommigen ook geld over voor bijvoorbeeld een kip, een geit, een ossenwagen of zelfs een motorfiets.

Je krijgt sterk de indruk dat wat ze daar eten nog steeds voornamelijk maïspap is, misschien aangevuld met eieren van die kip, of een enkele keer de kip zelf.

In zulke omstandigheden vervult eten een heel andere functie dan bij ons. Er is geen reden om ons daar schuldig over te voelen: zodra mensen de gelegenheid hebben om iets meer van hun leven te maken, gaan ze onder meer andere gerechten klaarmaken. Overal waar het kon is altijd een eetcultuur ontstaan.

Je voelt alleen wel duidelijk dat wij overvloed hebben. En dan voel je ook meteen dat je zorg aan het eten moet besteden. Dus maakte ik iets heel eenvoudigs, maar anders, en beter dan anders. Ik las in Simon Hopkinsons De vegetarische optie over zijn groentebouillon, die hij had afgekeken van iemand anders omdat hij ondersteboven was van de intense smaak. Het komt erop neer, dat je de groenten met water in een weckpot doet en die in zijn geheel in kokend water zet. En dan heb je, met de gebruikelijke onspectaculaire ingrediënten, een heel intens smakende bouillon – om zo te eten, of om verder te gebruiken.

Was twee weckpotten met een inhoud van 1 liter elk goed af en zet ze tien minuten in kokend water om ze te steriliseren.

Was de groenten en snijd ze tamelijk fijn. Vermeng ze met elkaar in een grote kom.

Hak de kruiden, snijd de teentjes knoflook doormidden. Vul de weckpotten tot de helft met de groenten. Voeg de knoflook, de kruiden en de peperkorrels toe. Vul met de rest van de groenten. Doe 1 theelepel zout in elke weckpot. Giet water in de potten tot een centimeter onder de rand.

Zet de potten in een of twee pannen (aspergepannen zijn hier erg makkelijk voor) en vul die tot vlak onder de rand van het deksel met koud water. Breng langzaam aan de kook en laat daarna nog twee uur zachtjes koken, met het deksel op de pan. Laat de potten in het water afkoelen.

Laat ze daarna verder afkoelen en zet ze tot gebruik in de ijskast, of zeef de groentebouillon meteen en bewaar hem in de ijskast of de diepvries.