'Zaterdag was het scheerdag'

Herman Stal (1932) leerde het kappersvak van zijn vader. ‘Een ander beroep of een studie kwam niet eens ter sprake.’

‘Dit was het einde van Nijmegen. Daarachter loopt de Heiweg, dat zegt al genoeg. De kapperszaak van mijn vader had een moeizame start. Hij opende hem in 1932, en vier jaar later wilde hij hem eigenlijk alweer van de hand doen. Dat lukte niet: de potentiële koper haakte af omdat hij niet katholiek was, en vreesde dat de klanten daarom weg zouden blijven. Toen heeft mijn vader maar doorgezet.

„Na een paar jaar kwam er een damessalon bij, met een aparte ingang. Wij woonden boven. Voor het knippen van de dames huurde mijn vader personeel in; hij kon het zelf ook wel, maar hij was een echte herenkapper. De groentenboer, de slager, de bakker, alle winkeliers uit de straat werden op den duur z’n vaste klanten. Zaterdag was het scheerdag, en dan bleven ze na sluitingstijd graag nog wat hangen; dan kwam er iets te drinken op tafel, en nam men tot een uur of elf ’s avonds de hele buurt met elkaar door.

„Mijn moeder zat daar nooit bij. Zij was eigenlijk alleen maar met ons en met het huishouden bezig. Ze was van Duitse komaf, ze kwam uit Silezië aan de Duits-Poolse grens. Het was niet de beste tijd om als Duitse in Nederland te wonen. Mijn moeder was acht jaar vóór het begin van de oorlog met mijn vader mee naar Nederland gekomen en iedereen die haar kende wist dat ze een schatje was, maar toch. Eén buurvrouw deed altijd lelijk tegen haar, dat was erg kwetsend. Talencursussen waren er niet, mijn moeder heeft zichzelf Nederlands geleerd door De Gelderlander te lezen. Ze had erge heimwee.

„Mijn vader was een goede vader en echtgenoot, maar we hadden geen van allen iets tegen hem in te brengen. Als jongste zoon uit een groot, niet onbemiddeld gezin in Nijmegen had hij zelf jarenlang kunnen doen wat hij wilde. Op zijn dertiende was hij de wereld ingetrokken, en na zijn militaire dienst en allerlei omzwervingen kwam hij in Berlijn terecht, waar hij eerste bediende in een kapperszaak werd. Daar ontmoette hij mijn moeder, zij deed er huishoudelijk werk. De zaak was van haar oom en tante.

„Mijn ouders trouwden in 1931, en mijn oudste broer Günter werd in Berlijn geboren. Toen Hitler aan de macht kwam, dacht mijn vader: wegwezen hier, en hij nam mijn moeder en Günter mee terug naar Nijmegen. Daar kwamen er nog zes kinderen bij. Op het moment van de foto, in 1944, hielp Günter al mee in de kapperszaak; mij, Annelies en Helga wachtte hetzelfde lot. Eerst zei mijn vader dat we door de oorlog toch geen ander werk zouden vinden. Later zei hij dat we zo in elk geval een goed belegde boterham hadden. En hij zei ook altijd: ‘De kinderen zijn mijn pensioen.’

„De gedeelde verantwoordelijkheid voor de zaak drukte zwaar op mijn zussen. Toen Annelies wilde trouwen, nam ze me bezorgd apart en zei: ‘Maar dat kan toch niet, hoe moet het dan met de damessalon?’ Ik heb haar aangemoedigd om toch haar eigen leven te beginnen, want dat kon natuurlijk best. Voor mij was het keerpunt gekomen toen ik vlak na de oorlog tbc kreeg, en anderhalf jaar ziek en uitgeschakeld was. Ik bracht veel tijd alleen door, en ontdekte dat mijn vader het ook best zonder mij afkon. Ik ben in andere kapperszaken gaan werken. Maar een ander beroep of een studie kwam bij mij en Günter niet eens ter sprake, terwijl Herbert, Peter en Ben wel zelf een vak mochten kiezen. Doordat wij het spits hebben afgebeten, kregen zij het rustiger.

„Toen mijn vader met pensioen ging, nam Günter als oudste zoon de kapsalon over. Aan het knippen van de dames had hij geen behoefte, dus dat deed ik. Günter was een gezellige vent en een goede vakman. Hij is lang vrijgezel gebleven en vond zijn leven wel prima zo, met z’n vaste klanten. Hij heeft zijn vijftigjarig kappersjubileum nog gehaald.

„Zelf ben ik eerder met het werken in de salon gestopt. Ik bleef er wel boven wonen met mijn vrouw en kinderen; we waren daar ingetrokken toen mijn ouders in 1960 een ander huis vonden, en het beviel ons goed. Van Günter hadden we geen last. Ik heb in de avonduren mijn lesbevoegdheden gehaald, en in 1974 werd ik fulltime docent aan de kappersvakschool. Dat knippen, dat deed ik zo goed mogelijk, maar ik stond het liefst voor de klas.”

Het is wat groot nu, met een extra, vrijwel ongebruikte zitkamer op de plek waar vroeger geknipt werd. Maar verhuizen, daar denkt hij niet over. In deze buurt zeggen de mensen elkaar tenminste nog goeiendag.

Heeft u ook een interessante familiefoto?Mail naar weekblad@nrc.nl