Zak, Sail, sluis

Terug naar eerdere afleveringen. Op 4 september is betoogd dat de sommen en opgaven in moderne natuurkundeboeken heel eigentijds en aangepast ogen, maar in wezen ver van de werkelijkheid staan. Bij wijze van voorbeeld werden opgaven behandeld uit het boek Scoop, dat weliswaar uit druk is maar toch nog aantoonbaar wordt gebruikt. En waarom ook niet. De inhoud van het natuurkundeprogramma is de laatste halve eeuw nauwelijks veranderd.

Als een auto 1.200 kg weegt en in zijn banden heerst een overdruk van 0,8 bar hoe groot is dan het contactoppervlak met de weg? En hoeveel stijgt de luchtdruk in een luchtbed van bekende afmetingen als daarop een man van 90 kilo gaat liggen? Dat waren de voorbeelden. In het eerste geval moest je aannemen dat de bodemdruk precies gelijk was aan de overdruk in de banden (wat natuurlijk onzin is, zoals uit het limietgeval blijkt) in het tweede geval juist niet, hoewel je ook daar voor een absurditeit kwam te staan.

Onvermeld bleef dat het betreffende boek ook nog een vraagstuk had over een stofzuiger die in de blaasstand een vuilniszak opblies. De vraag was of die daarmee een leerling van 50 kilo omhoog kon krijgen als die op de zak ging staan. Nu moest je weer wel aannemen dat de overdruk gelijk was aan de uitwendige druk van de schoenen op de zak. Het fictieve stofzuigerexperiment is de quasimoderne tegenhanger van het veel aardiger proefje dat veel oude jongens zich nog herinneren van Leonard de Vries, J.C. Alders en andere auteurs van boeken met jongensproeven. Je legde een lege boterhamzak op de rand van de tafel, plaatste er een paar dikke boeken op en blies dan in de zak. Tot je stomme verbazing kreeg je de dikste boeken omhoog. Het lukt nog steeds met plastic diepvrieszakjes, al bezwijken die nogal makkelijk op de lasnaad.

Het vreemde is dat de overdruk die de menselijke longen bereiken ongeveer even groot is als de overdruk die de Scoop-auteurs aannamen voor de blaaskant van die stofzuiger (0,1 bar). Waarom dan zo ingewikkeld? En nog nijpender is de vraag: waarom verzwegen dat de gesuggereerde oplossingen worden verstoord door de trekspanning in autoband, luchtbed en vuilniszak? “Met dat soort ingewikkeldheden kun je de leerlingen niet lastig vallen”, schrijft een technische lezer. Maar moet je ze dan als kippen zonder kop trucjes laten toepassen die niet kloppen? “Er is nooit kritiek geweest op die sommen uit ons boek”, laten de auteurs weten. Dat mag je gerust een verontrustende onthulling noemen.

Op 28 augustus ging het over het schatten van de belangstelling voor grote evenementen. Op de Love Parade in Duisburg waren niet 1,5 miljoen mensen aanwezig geweest maar slechts 250.000, zonder dat iemand dat verschil had opgemerkt. Een ernstig geval van innumeracy zoals John Allen Paulos dat noemt. Een korte AW-exercitie maakte vervolgens aannemelijk dat op de Canal Parade van 7 augustus ook niet 380.000 mensen naar de homo’s hadden staan kijken, maar nog geen 100.000. De gehanteerde rekenmethode, die in vakkringen de schouder-aan-schoudermethode wordt genoemd, was opgediept uit een artikel van 6 januari 2009 in de Los Angeles Times, waar twijfel werd geuit aan het toeschouwersaantal van de Rose Parade in Pasadena (“Big crowd, but who’s counting?”). Er is beweerd dat het verslagen Nederlands elftal op 13 juli werd toegejuicht door 500.000 tot 700.000 fans. Ook daaraan is in de AW-rubriek getwijfeld. Er gaan 200.000 mensen op het Museumplein als dat helemaal vol staat en dat was niet helemaal het geval. De afgelopen weken vertoonde de zender AT5 nog wat nabeelden van het eerbetoon en daarop was duidelijk te zien dat er maar mondjesmaat mensen langs de grachten stonden opgesteld. Het bewijs moet nog geleverd worden dat de verliezers door meer dan 250.000 mensen werden bejubeld.

Achteraf blijkt dat al op 19 augustus 1995 in een opiniestuk in de Volkskrant is gewezen op de stelselmatige grove overdrijving van de belangstelling voor evenementen. Toen was net de vijfde Sail achter de rug en de organisatoren claimden dat die door 4,5 miljoen bezoekers was aangedaan. Onderzoeker Kees Loef, die vanuit zijn kantoor goed zicht had op het evenement, rekende kalm voor dat dit onmogelijk was. Waar waren dan al die auto’s waarmee de mensen hadden moeten komen? Loef bracht in herinnering hoe alle toevoerwegen naar Amsterdam waren verstopt toen op 21 november 1981 door 250.000 officieel getelde mensen werd gedemonstreerd tegen de kruisraketten. Bij de Sail was niks verstopt.

De laatste jaren worden de Sailbezoekers geteld door de Amsterdamse gemeente die in 2005 uitkwam op 1,8 miljoen bezoekers. Als die niet precies bekend maakt hoe er geteld wordt, en dat doet zij niet, is er geen enkele garantie dat de getallen kloppen. En dan is er bovendien geen enkele garantie dat er door de gemeente ook maar een cent verdiend wordt aan al die evenementen.

Op 3 juli was even stilgestaan bij de vraag wat er zou gebeuren als opeens alle dijken braken. Zou Amsterdam dan onderlopen? Tot 1870 stond het IJ, en dus ook het grachtenstelsel, in vrije uitwisseling met de Zuiderzee. Sindsdien is het zeeniveau maar 20 cm gestegen, is hier gemeld. Dus: ’t zou wel meevallen.

Onjuist, schrijft een lezer, de grachten stonden helemaal niet op zeeniveau. Amsterdam heeft een gecompliceerd stelsel van sluizen en sluisjes dat allerlei afvloeiingsgebieden op een eigen niveau houdt. Er kan van alles gebeuren.

De AW-redactie houdt haar twijfels. Zij kent de meeste van die sluizen en ziet ze altijd open staan. Bedenk hoe de duizenden pleziervaarders die de hele zomer zo’n plezier hebben op de grachten elke hoek van de stad weten te bereiken.

Gebeld met het waterschap Amstel, Gooi en Vecht. De sluizen worden alleen gebruikt om ’s nachts de grachten door te spoelen, zegt de woordvoerster. Soms worden ze gesloten bij extreme wateroverlast of extreme droogte. Het IJ en het grachtenstelsel staan 40 cm beneden NAP en het zeeniveau varieert tussen min 120 en plus 80 cm NAP. Gemiddeld dus min 20 cm. Als de IJmuider sluizen het begeven, concludeert de AW-redactie, dan zal het niveau zeker 20 cm stijgen. Maar het is natuurlijk onwaarschijnlijk dat de extreemste waterstanden ongedempt bij Amsterdam arriveren. Dus opnieuw: voorlopig zal ’t zo’n vaart niet lopen.