Terug naar Dickson

Vijf jaar geleden begon NRC-redacteur Dick Wittenberg met geld van lezers een hulpproject in het Afrikaanse dorp Dickson. Is de armoede verdwenen?

Wie is die vrouw die schaamteloos het woord neemt terwijl de mannen niet zijn uitgesproken? Dat heb ik hier tijdens een dorpsvergadering nog nooit beleefd. Ze mompelt niet eens, zoals traditie vrouwen voorschrijft. Het dorpshoofd grijpt niet in.

Wie is die vrouw? Ik dacht dat ik alle volwassen vrouwen in dit dorp wel kende. Dit is de tiende keer dat ik een tijdje in dit dorp logeer.

Nu zie ik het pas. Het is Malieta Anderson. Dezelfde Malieta die zich vijf jaar geleden tijdens mijn eerste bezoek „een mislukkeling” noemde. Ze was toen 38. Vier kinderen had ze verloren. Tegenover de overige vijf schoot ze tekort. Hoeveel los werk ze ook aannam, hoe trouw ze ook haar lapje grond bewerkte, er was nooit genoeg te eten.

Had ze maar een man, verzuchtte ze destijds. Haar man had haar tijdens een hongersnood verlaten. Hij had altijd goed voor het gezin gezorgd.

Alleenstaande vrouwen staan in het dorp het laagst in aanzien. Dat vond Malieta terecht. Mannen maakten goede plannen. Een vrouw alleen bracht niks tot stand. Diezelfde nietswaardige Malieta voert hier nu zelfbewust het woord.

Is het hele dorp zo rigoureus veranderd sinds ik hier vijf jaar geleden een hulpproject begon?

Dit is Dickson, Dickisoni in de plaatselijke taal Chechewa. Een gehucht in een Afrikaans land dat niemand op de kaart weet te vinden: Malawi.

Dit is zo’n dorp waar je niet komt als je er niet bent geboren, en waar je niet wegkomt als je er geboren bent. Er wonen zo’n vijftig gezinnen, ruim driehonderd mensen. De dichtstbijzijnde asfaltweg ligt 35 kilometer verderop.

In 2005 bivakkeerde ik hier voor het eerst, samen met fotograaf Jan Banning. Het was het jaar van de grote internationale initiatieven ter bestrijding van de armoede. Wij kwamen een verhaal maken over alledaagse armoede. Over het leven op de rand dat normaal is voor bijna de helft van de wereldbevolking. Over het schrale bestaan waar geen einde aan komt.

Met honger valt te leven, leerde ik van de dorpelingen. Honger hoort bij het leven van de dorpelingen, zeker in wat ze de „magere maanden” noemen, tijdens de regentijd als de maïs tot wasdom komt op het veld.

Honger maakt gebaren loom en gesprekken lijzig. Maar op één maaltje maïsbrij per dag kun je nog steeds onkruid wieden of water halen bij de pomp. Na de oogst komt er op de botten wel weer vet.

Een mens kan toe met weinig, zag ik in het dorp. Een rieten mat om op te slapen. Een deken om je te bedekken. Dat is nodig. Net zoals keukengerei en een minimum aan kleren. Zonder een hak en een kapmes kan een boer niet. Alle andere bezit is luxe die wordt gekoesterd. Een stropdas. Een haarspeld. Het kostbaarste bezit dat ik vijf jaar geleden aantrof in elf huizen, was een fiets.

Honger lijden en weinig bezitten zijn kenmerken van alledaagse armoede. Ze vormen niet de essentie. Dat leerde ik in het dorp. Wat leven perspectiefloos maakt, is: geen keuze hebben. Nooit.

Een dorpeling die al voor de regentijd geen maïs meer in huis heeft, moet wel op jacht naar los werk, ook al verdient hij er op een dag maar twee handen vol maïs mee. Hij verwaarloost zijn eigen akker en legt daarmee de kiem voor de volgende slechte oogst. Dat weet hij. De eerste zorg is dat zijn gezin de volgende oogst haalt.

En nooit vergaart hij genoeg reserves om alle tegenslagen te doorstaan die nu eenmaal zijn verbonden aan zijn keuterboerenbestaan. Hij voert een levenslange strijd die hij nooit kan winnen zonder hulp. Dat beschreef ik in een verhaal dat in september 2005 verscheen in het maandblad M van NRC Handelsblad.

Hammard Andsen was vijf jaar geleden al de rijkste van het dorp. De rijkste, wat stelde dat voor in dit dorp? In andere dorpen zag ik tekenen van welstand. Een huis van baksteen in plaats van leem. Een dak van golfplaat in plaats van riet. Een ossenkar. Een koe. In Dickson was er niemand die zoiets waardevols bezat. Ook Hammard niet.

Zijn huis onderscheidde zich in niets van de andere huizen. Even klein, even kaal, even leeg. In zijn woonkamer stond een rieten mat die hij uitrolde voor bezoekers. Over één stok tussen de muren van de slaapkamer hingen alle kleren van het hele gezin.

En toch was hij de rijkste. Hij had genoeg maïs om het hele jaar te eten. Zijn schuur puilde uit van de tabak, wel 500 kilo, die hij voor papiergeld in de hoofdstad zou verkopen. Hij had wat kleinvee: een varken, een geit, zes eenden, zeven kippen. Niemand boerde zo goed als Hammard.

Tegenwoordig is Hammard met afstand de rijkste. Hij heeft net twintig ossenkarren maïs geoogst. Dat is 8.000 kilo. Om een idee te geven: drie tot vier ossenkarren is de gemiddelde opbrengst in het dorp. En dan heeft hij ook nog eens 24 balen tabak vergaard, zeker 2.400 kilo, met een marktwaarde van tussen de 4.000 en 5.000 dollar. Dat doet hij allang niet meer in zijn eentje. Hij heeft mensen voor zich werken die hij uitbetaalt in maïs.

Kan ik raden hoeveel zakken kunstmest van 50 kilo hij voor het laatste plantseizoen gekocht heeft? 23 zakken. Voor een vermogen. Hij zegt het op fluistertoon. Hij glimt van trots.

Als ik op bezoek ga in zijn nieuwe huis van baksteen, is het pikkedonker. Binnen brandt een lampje met het licht van een glimworm. Het duurt minuten voor ik iets ontwaar. Eerst zie ik een monumentale sofa, daarna nog een. In de hoek staat een tafel met stoelen. Daarboven hangen twee bolvormige voorwerpen. Het lijken wel motorhelmen. Pas als ik mijn zaklamp aanknip, ontdek ik de motor. Een Chinese motorfiets van het merk Lifan.

Niet meer dan een tussenstation in Hammards grootse plannen. Over drie jaar verruilt hij die motor voor een truck.

Terug naar 2005 toen ik nog niet kon weten hoe het verder zou gaan met Hammard. Mijn verhaal over alledaagse armoede was verschenen. Ik had mijn werk gedaan.

Honderden lezers bleken daar anders over te denken. Ze schreven. Ze belden. Dickson moest geholpen worden. Ze stuurden duizenden, tienduizenden euro’s. Die geldstroom bracht me in verwarring. Ik was journalist, geen hulpverlener. Ik twijfelde aan de effectiviteit van ontwikkelingshulp. Ik had te veel projecten gezien die waren gestrand in goede bedoelingen.

Maar ik had toch zelf geschreven dat Dickson zich onmogelijk aan de alledaagse armoede zou kunnen ontworstelen zonder hulp? Ik kon het dorp deze kans niet onthouden.

Zo ontstonden de Vrienden van Dickson. Zeven mensen die zich inzetten voor de ontwikkeling van het dorp. Dat zijn er twee in Malawi: Willem Kerkhof, de witte pater die me naar Dickson had gevoerd. En Epiphano Chifumbi, de pastoorsassistent die tijdens mijn verblijf in het dorp van onschatbare waarde was geweest als tolk en tussenpersoon. In Nederland had ik vier lezers benaderd die veel interesse in het dorp hadden getoond. De zevende Vriend van Dickson was ik.

Ons doel was van meet af aan duidelijk: Dickson helpen binnen vijf jaar op eigen benen te staan. Op eigen benen, dat betekende dat dorpelingen genoeg voedsel oogsten om te eten. Het hield ook in dat ze genoeg inkomsten hadden om schriften en pennen voor schoolgaande kinderen te kopen of om naar de dokter te gaan, en dat ze dan nog wat geld zouden overhouden voor de aanschaf van een kip of een geit, als appeltje voor de dorst.

Het begin van het hulpproject was simpel. Alle dorpsbewoners had ik gevraagd wat ze nodig hadden om vooruit te komen. „Maïs en kunstmest.” Het antwoord was in alle huizen hetzelfde geweest. Maïs om in de regentijd geen honger te lijden en de akker met een volle maag te kunnen bewerken. Kunstmest voor een zo rijk mogelijke oogst aan maïs en tabak. Dus kreeg Dickson van het geld van lezers kunstmest en maïs.

Het resultaat ging alle verwachtingen te boven. De maïsoogst verzevenvoudigde, de tabaksoogst verzesvoudigde. Op slag waren de dorpelingen niet meer bezig met overleven. Iedereen maakte plannen. Ze hadden keus.

Dat snelle succes maakte misschien overmoedig. De Vrienden van Dickson breidden het project uit naar vijf omliggende dorpen: Chioko, Zenga, Chikoma, Utabwalero, Chatonda. De twee volgende jaren kregen ruim 300 huishoudens die wondercocktail van kunstmest en maïs.

Maar beide jaren was het effect minder overtuigend dan in het eerste jaar. Er ontstonden machtsconflicten tussen dorpscomités en dorpshoofden. Sommige dorpelingen verkochten de kunstmest en zetten het op een zuipen. Er gingen geruchten over gesjoemel bij de verdeling van hulp.

Belangrijkste was dat vooruitgang stagneerde. Op dezelfde voet voortgaand zou meer dan de helft van de mensen in Dickson na vijf jaar nog steeds niet zijn ontsnapt aan de staat van armoede die geen keuze laat. Vooral de armsten van de armen – bejaarden, alleenstaande vrouwen – zouden niks zijn opgeschoten. Behalve dat ze vijf jaar geen ernstige honger hadden gekend.

Het roer moest om. Drie jaar geleden maakte ik een rondgang langs de dorpen, samen met een andere Vriend van Dickson. We kondigden aan dat we met de jaarlijkse injectie van maïs en kunstmest zouden stoppen. We vroegen of boeren misschien suggesties hadden om voedselproductie en inkomsten op een andere manier te verhogen. Zo ontstond het idee van de trappompen.

Zomer 2010. Dickson heeft zich verheven. Dickson heeft zich aan de eigen haren uit het moeras getrokken. Wie ik ook vraag als ik door het dorp loop, bijna iedereen heeft genoeg maïs geoogst om te eten. De afgelopen vijf jaar is er niemand gestorven door ondervoeding. Bijna iedereen heeft tabak verbouwd. Sommigen verkochten zestig kilo voor een veel te lage prijs aan rondtrekkende handelaren. Anderen stuurden twaalf balen, ruim 1.200 kilo, naar de veiling in de hoofdstad. Maar allemaal hebben ze geld voor wat dorpelingen noodzakelijk achten: voor kookolie, zeep, voor medicijnen. Voor een nieuwe kookpot, een wasteil, nieuwe kleren. En straks voor kunstmest: om de kans te vergroten op weer een goede oogst.

Sommigen hielden de afgelopen jaren zelfs geld over voor wat niet strikt noodzakelijk is om te overleven. Ze ontwikkelden zich. Ik geloof mijn ogen niet als ik een rondgang maak door het dorp. Ik tel elf bakstenen huizen, drie met een dak van golfplaat. Vijf huishouden hebben een span ossen en een kar. Dat is een groot bezit. Met de ossenkar kun je mest, maïs of tabak vervoeren. Je kunt er geld mee verdienen door hem aan andere boeren te verhuren. In laatste instantie is het een buffer bij grote tegenslag.

Inkomstenbron en vangnet zijn ook de beesten waarvan het tegenwoordig wemelt in het dorp. ’s Ochtends in alle vroegte, als de zon nog niet op is en de mannen nog slapen, vegen de vrouwen met takkenbezems het dorp schoon. Maar nog voordat de mannen naar de akkers trekken, ligt de grond alweer bezaaid met keutels. Veel geiten schijten veel.

Ook bejaarden en alleenstaande vrouwen houden geiten of kippen. Achter de dorpspomp wentelen varkens zich in de modder. Ik zie een heuse kudde koeien en kalveren over het dorpsplein paraderen, gevolgd door een opgeschoten jongen met een stok. Zes koeien in Dickson. Een triomf voor het dorp.

In het kielzog van het vee zijn de honden gekomen. Wie ze ’s nachts hoort blaffen en janken, niet aflatend, weet: dit is geen dorp van armoedzaaiers. Hier wordt bezit beschermd.

De eerste trappompen werden twee jaar geleden verspreid over de dorpen, met geld van Rotary Club Krimpenerwaard-West. Ze worden gebruikt in wat de boeren hun „wintertuin” noemen. Dat is laaggelegen grond in de buurt van een rivier waar ook in de negen droge maanden met graven altijd wel water te vinden is.

De meeste boeren lieten dat vruchtbare land braak liggen. Ze vonden het te veel werk om de zware kleigrond in cultuur te brengen. Met emmer en gieter konden ze niet meer dan een klein stukje land bevloeien. De opbrengst aan groenten was gering.

Met trappompen die werken op beenkracht, loont werken in de wintertuin. Dat was het idee. Grote lappen grond kunnen worden voorzien van water. Ook het dorstige maïs kan worden verbouwd. Sommige groenten laten zich wel drie keer oogsten. De opbrengst van de wintertuin maakt boeren minder afhankelijk van schrale akkers en wispelturige regentijd.

Maar wie moest de invoering van trappompen begeleiden? De Malawische landbouwstudent Frances Nkoka had in een haalbaarheidsonderzoek gewaarschuwd dat niet kon worden volstaan met pompen uitdelen. Training, organisatie en landbouwkundige adviezen waren onmisbaar voor succes, net zoals de verstrekking van zaden en kunstmest.

De Vrienden van Dickson hadden bijna een Malawische hulporganisatie ingehuurd. Vind als ontwikkelingsamateur op 6.000 km afstand maar eens een goede partner. Twee dagen voordat we het samenwerkingscontract zouden tekenen, ontdekten we dat de organisatie corrupt was. Weg trappompenproject.

We kozen voor een noodgreep. We wilden geen jaar verliezen. We gingen in zee met een Malawische ontwikkelingsexpert die zijn sporen meer dan verdiend had. Wat maakte hij een indruk als hij zijn plan van aanpak ontvouwde. Mooie woorden. In de praktijk kwam er niks van terecht.

Om te redden wat er te redden viel, nam witte pater Willem Kerkhof een net afgestudeerde student Landbouwkunde aan, Isaac Kazinga, die bereid was zich voor twee jaar in Dickson te vestigen. Een schot in het duister.

Zomer 2010. Wat is er terechtgekomen van het mooie plan om voedselproductie en inkomsten met behulp van trappompen te vergroten? Ik heb er een hard hoofd in. De man die het project inmiddels driekwart jaar leidt, heb ik nooit gezien, zelfs nooit gesproken. Hij beschikt over een mobiele telefoon maar ik kreeg hem nooit aan de lijn. Pater Willem weet ook niet hoe het Isaac Kazinga vergaan is. In de regentijd is Dickson onbereikbaar voor een auto.

Dorpelingen blijken bergen te hebben verzet onder leiding van Isaac Kazinga. Ze slepen mij en een andere Vriend van Dickson meteen mee naar de wintertuinen. Bijna alle huishoudens hebben het laaggelegen land bewerkt. Niet zomaar een klein strookje grond, soms hele voetbalvelden. En wat staan de maïs en de groenten er mooi bij. Hier de mosterdplantjes, daar tomaten, even verder Chinese kool. Volgens Isaac Kazinga kan het altijd beter. Pratend en wijzend trekt hij onkruid uit.

Gebruik van trappompen heeft welvaart vergroot in de dorpen. Boeren zeggen het allemaal. In de regentijd aten ze de maïs uit de wintertuin en leden ze geen honger. In de droge tijd oogstten ze groenten die ze in de omgeving verkochten.

En allemaal prijzen ze Isaac Kazinga. Om zijn inzet, zijn landbouwkundige adviezen, zijn eerlijkheid. „Hij houdt zich aan afspraken, ook als wij dat niet doen.” Plagend noemen ze hem „vertiver”, dat is een grassoort die ze van Isaac moeten planten om de verdamping van water in hun wintertuinen tegen te gaan.

Isaac int contributie om reserveonderdelen voor de pompen te kunnen kopen. Hij laat blauwgombomen kappen die veel water aan de grond onttrekken en plant bomen die juist goed zijn voor de grond. Dat houdt hij bij in schriftjes die ik bladzijde voor bladzijde moet doornemen. Hij neemt zijn taak heel serieus.

Malieta Anderson, de vrouw die zich vijf jaar geleden „een mislukkeling” noemde, is „trots” op zichzelf. Rondkijkend in haar lemen hut zie ik meteen dat het haar goed gaat. In één hoek staat een stoel, in een andere zit een kip. Op een plank staan stukjes zeep en doosjes lucifers. Ze heeft een winkeltje.

Ze verbouwde maïs in de wintertuin. Die verkocht ze duur vlak voor de regentijd. Van de opbrengst kocht ze kunstmest voor haar akker. Dankzij die kunstmest oogstte ze zeker 1.000 kilo maïs plus wat tabak. Ze heeft genoeg geld om een van haar kinderen naar de middelbare school te sturen. Ze durft het bijna niet te zeggen. Dan gierend: „Ik doe het beter dan veel mannen.”

Hetzelfde geldt voor meer alleenstaande vrouwen. „We voelen ons zekerder”, zegt Malieta, „nu het binnen niet meer donker is.” Ze bedoelt het figuurlijk en letterlijk.

Vijf jaar geleden brandde ’s avonds alleen bij een enkeling binnen een paraffinelamp. Nu heeft bijna iedereen in het dorp de hele nacht licht. Malieta vertelt hoe het werkt. Je sloopt een Chinese zaklamp. Je haalt er de ledlampjes uit. Eén lampje verbind je met drie batterijen die je met elastiekjes of rubber hebt omwikkeld. Kosten: nog geen euro. De batterijen gaan twee maanden mee.

Het licht dat dit lampje voortbrengt, is voor een verwend westers oog nauwelijks te zien. Maar het is genoeg om de alleenstaande vrouwen ’s nachts te beschermen tegen hitsige mannen.

Bij het hulpproject in Dickson liep de afgelopen vijf jaar van alles mis. Maar er kwam ook verbazend veel tot stand, als vanzelf. Is de armoe verdreven uit Dickson? De dorpelingen lopen nog steeds in afgedankte westerse kleren die ze hebben gekocht op de markt. De meesten eten alleen vlees met Kerstmis of op een begrafenis. Verdwenen is de armoede die geen keuze laat.

En hoe duurzaam is die vooruitgang? Dat moet de komende jaren blijken nadat de hulp is gestopt. Ik roep lezers op geen geld te storten. Voorlopig redt Dickson zichzelf.