Sterk en zelfverzekerd

De laatste keer dat ik praatte met Bent Larsen, die vorige week stierf, was in 1989 op een terras in Palma de Mallorca, waar toen een toernooi van de Grandmasters Association werd gespeeld.

Praten met Larsen betekende in feite luisteren naar zijn verhalen. De andere luisteraar die avond was de Russisch Amerikaanse grootmeester Anatoly Lein.

Toen het terras gesloten werd – conversaties met Larsen duurden altijd minstens tot sluitingstijd – liepen Lein en ik samen naar ons hotel. Lein zei: „Een briljante man, Bent. Als er meer mensen zoals hij in de schaakwereld waren, zou ik beter mijn best doen om een sterke schaker te worden.”

Net als Lein luisterde ik altijd graag naar Larsen. Zijn gesprekken met Donner volgen, dat was ook mooi. Dat waren duels, die naar mijn idee meestal door Larsen werden gewonnen, omdat hij in feitenkennis de nauwkeurigste was.

Niet iedereen luisterde zo graag. Toen Nigel Short zich in 1993 voorbereidde op zijn match tegen Kasparov had hij Larsen een tijdje te logeren. Later schreef Short dat hij ’s ochtends altijd geruisloos naar de badkamer sloop, in bange vrees dat Larsen wakker zou worden en zijn hoofd om de deur zou steken om weer eens een anekdote over zijn overleden vriend Jens Enevoldsen te vertellen of een ander verhaal uit de oude doos.

In de jaren voordat ik zelf tegen Larsen mocht spelen of met hem kon praten zag ik hem in Hoogovenstoernooien optreden en ik hoorde daar dat hij, op weg naar de toernooiwinst, er niet tegenop zag om ’s avonds en ’s nachts perschef Berry Withuis te helpen met het maken van het toernooibulletin. Hij was sterk en zelfbewust genoeg om democraat te zijn.

Larsen zei eens in een interview dat hij vond dat hij op het interzonale toernooi van 1964 op het hoogtepunt van zijn kunnen stond. Dat toernooi was in Amsterdam, dus ik kon hem bijna iedere dag bewonderen. Hij won het toernooi samen met Tal, Spassky en Smyslov en al zijn partijen waren bijzonder, steunend op een excentriek maar tot in de puntjes voorbereid openingsrepertoire.

In 1966 had ik het voorrecht om in een zeskamp in Ter Apel tegen Larsen te spelen en het nog grotere voorrecht om van hem te winnen. Een jaar later won ik in het Hoogovenstoernooi weer van hem en in onze derde partij, in 1972 in Teesside, stond ik een pion voor en had ik een geweldig positioneel overwicht. Vraag niet hoe het kan, het was zo.

Op de veertigste zet, de laatste zet voor de tijdcontrole, gaf ik een stuk weg. Twee uur later begon de tweede zitting en na nog twee zetten deed Larsen iets wat hij bijna nooit deed, hij bood remise aan, niet uit medelijden, maar omdat ik nog steeds iets beter stond. Dankbaar schudde ik hem de hand.

Vergeef me mijn gepoch op mijn mooie score tegen Larsen. Het zou wel bijna ziekelijk zijn als ik er niet apetrots op was.

Hier is een partij uit dat interzonetoernooi in Amsterdam. Ik was er bij en verbaasde me hoe snel en makkelijk de grote openingskenner Portisch overspeeld werd.

Bent Larsen - Lajos Portisch, Amsterdam 1964

1. e4 e6 2. d4 d5 3. Pc3 Lb4 4. exd5 exd5 5. Df3 Een onbekende zet waarna Portisch lang moest nadenken. 5...Pc6 Later ontdekte men dat 5...De7+ sterk is en sindsdien heeft Larsens verrassingswapen 5. Df3 nauwelijks navolging gekregen. 6. Lb5 Pge7 7. Lf4 0-0 8. 0-0-0 Pa5 Zwart begint een spel op de damevleugel dat niets op zal leveren. Het bescheiden 8...Le6 was volgens Larsen het beste. 9. Pge2 c6 10. Ld3 b5 11. h4 Pc4 12. h5 f6 Zwart moet al erg oppassen. Na bijvoorbeeld 12...Da5 zou wit meteen winnen met 13. h6 g6 14. Lc7 Dxc7 15. Df6 en mat. 13. g4 Da5 Larsen vermoedde dat Portisch hier een finesse over het hoofd zag. 14. Lxc4 dxc4 15. a3 Lxc3 Een onvrijwillige ruil waarna wits loper een reus wordt. De finesse waar Larsen op doelde was na 15...Lxa3 16. bxa3 Dxa3+ 17. Kd2 b4 18. Ta1 bxc3+ 19. Pxc3 Db4 de zet 15. Thb1 met damewinst. 16. Pxc3 Dd8 Op hangende pootjes terug in de verdediging. 17. The1 a5 18. Dg3 Ta7 19. h6 Het begin van de verovering van de zwarte velden. 19...g6 20. Ld6 Te8 21. Df4

(Zie diagram rechtsboven)

Wit staat duidelijk gewonnen. Had dat ook met een theorievariant zo snel gekund? vraagt Larsen retorisch. 21...Kf7 Na 21...Pd5 22. Pxd5 cxd5 wint wit met de mooie zet 23. Dxf6. 22. Le5 f5 Het opgeven van de zwarte velden betekent capitulatie, maar 22...Pg8 23. Pe4 of 22...Pd5 23. Pxd5 cxd5 24. Lxf6 zou zwart ook niet helpen. 23. Lb8 Tb7 24. De5 Tg8 25. g5 b4 26. Df6+ Ke8 27. Dxc6+ Wit heeft een prettige keus. Meteen 27. d5 zou ook geweldig zijn. 27...Kf7 28. Df6+ Ke8

Wie dit diagram ziet zonder de voorafgaande zetten te kennen, krijgt de indruk dat zwart nooit op het idee is gekomen om te rokeren. 29. d5 De slotaanval begint. 29...Tf8 Of 29...bxc3 30. d6 en wit wint. 30. Dc6+ Dd7 31. Ld6 Tf7 31...Dxc6 32. dxc6 is ook hopeloos voor zwart. 32. Lxe7 bxc3 Of 32...Txe7 33. Txe7+ 33. Lb4+ Zwart gaf op.