Op de man met de post zit niemand meer te wachten

Het eens zo eerzame beroep van brievenbesteller gaat onder druk van de digitalisering voorgoed verdwijnen uit het straatbeeld. Een eerbetoon aan de postbode.

Hij heet Postbode, geschreven met een hoofdletter. Zijn naam is ook zijn beroep. Elke ochtend van de werkdag spoedt hij zich naar de plaats waar de post in bundels op hem ligt te wachten, het bestelkantoor of ook verdeelstation. Vervolgens rijdt hij per fiets, bromfiets en soms per auto naar de wijk die hij „zijn wijk” noemt. In de wijk kent hij iedereen en iedereen kent hem, althans zo wil het beeld van de klassieke postbesteller. Postbode is een vertrouwensman.

In de wijk gaat hij de brievenbussen langs, sommige van glimmend koper, andere verwaarloosd en verroest. Er zijn brievenbussen met een springveer achter de klep, zodat Postbode haastig zijn vingers moet terugtrekken. In de buitenwijken hebben de bewoners bussen van groen plastic, soms maken ze er een miniatuurhuisje, bijenkorf of duiventil van.

Deze Postbode is ook de hoofdfiguur in de roman Postbode (Mailman, 2003) van de Amerikaanse schrijver J. Robert Lennon. Het boek heeft als opdracht: „Aan al mijn lieve postbodes, ik dank jullie.” Deze besteller verplaatst zich per auto; onze postbodes zijn vooral mannen van de fiets.

Wat doet Postbode ’s avonds? Hij opent de enveloppen en leest de berichten, rekeningen, bevelen, belastingaanslagen, rechtbankvonnissen, liefdeskreten, scheidingspapieren, gelukwensen, dwangbevelen en haatbrieven. Postbode weet alles, zoals: „Hoeveel keer moet Jodie M. Steiner nog ongewenst zwanger worden voordat ze niet meer naar bed gaat met de zeventigjarige buurman van haar ouders?”

Nu het eens eerzame beroep van de brievenbesteller gaat verdwijnen, krijgt dit boek en de vele andere kunstuitingen waarin de postbodes optreden opeens een andere betekenis. Met het verdwijnen van de postbode gaat veel meer teloor. Postkantoren worden gesloopt of krijgen een nieuwe bestemming. Niet alleen het mooie woord ‘briefgeheim’ verdwijnt, ook begrippen als brieven- en postbezorger verliezen hun betekenis. En de straat of wijk moet het doen zonder de vertrouwde verschijning van de man in uniform met zijn lading poststukken. De kunstuitingen waarin een postbode figureert zijn bijna altijd opgezet als een ode.

Al in 1949 reed een melancholieke, van snelheid bezeten postbode op een hoge fiets door de bioscoopzalen in Jour de fête, het sprankelende filmdebuut van Jacques Tati. Boeken als Postkantoor (Post Office, 1971) van Charles Bukowski, De postbode/ Il Postino (1985) van de Chileense auteur Antonio Skármeta of De postbode (2008) van Hedda Martens en De postbode (1993) door Koen Peeters verwijzen naar een herkenbare maar bijna verdwenen werkelijkheid. In De postbode van Peeters schrijft een postbode zelf de brieven die hij rondbrengt. Dat is een boeiende metafoor: de man houdt zijn beroep in stand. In het gelijknamige boek door Martens handelt de besteller in de stijl van Tati: opgetogen rinkelend met de fietsbel doet hij de ronde door een wonderlijke stad, met dit verschil dat hij films voor de filmzalen rondbrengt. In Il Postino bezorgt de bode brieven aan de Chileense dichter Pablo Neruda die zich heeft teruggetrokken op het eiland Isla Negra. Het is dankzij de poëzie van Neruda dat de postino het meisje van zijn dromen verleidt. Karakteristieker kan de postbode als trait d’union niet zijn.

Het nieuws dat TNT Post het „beroep van postbode afschaft” heeft veel emoties losgemaakt. Dat is begrijpelijk. „De postbode heeft geen toekomst meer”, zo luidt de de verklaring. De strijd tegen de digitale wereld hebben de posterijen verloren. Vijftienduizend postbodes raken hun betrekking kwijt. Op 4 juli 2009 deed Harry Koorstra, directeur van TNT Post, in deze krant de uitspraak: „Over tien jaar is er geen post meer in Nederland.”

Wat een gemis, een gemis dat herinneringen oproept aan de postbode en zijn betekenis in ieders leven. Ik heb eens hardop „dankuwel” tegen een postbode gezegd, maar ik zag de man niet. Al enkele dagen wachtte ik op een brief die mijn leven een beslissende wending zou geven. Ik ging die ochtend wel drie, vier keer de trappen af naar beneden. Plots, ik stond nog op de onderstede trede, schoof de onzichtbare brievenbesteller post door de bus. Ik griste de envelop uit zijn handen en bedankte hem dwars door de dichte voordeur heen.

Schrijver Bukowski verdiende als sorteerder ’s nachts geld om overdag zijn literaire ambities te vervullen; veel schrijvers, en ook studenten, deden dat. Misschien dat daarom de postbode een geliefd romanpersonage is. Wie in Nederland bij de posterijen in dienst wilde treden, werd tot het einde van de Koude Oorlog zelfs aan een antecedentenonderzoek onderworpen door de Binnenlandse Veiligheidsdienst, de BVD. De postbode had de plicht tot briefgeheim.

Postbode Plagge in de film De Noorderlingen (1992) van Alex van Warmerdam lapt uit bemoeizucht het briefgeheim aan zijn laars. Van Warmerdam geeft met zichtbaar genot zelf gestalte aan de postbode die alle brieven leest die hij in zijn tas krijgt, om alles te weten te komen van iedereen. Zodoende kan hij het nieuwbouwdorp waar hij woont volledig beheersen. Genoemde figuur Postbode uit de roman van J. Robert Lennon handelt uit wraak: hij ergert zich aan de wijze waarop mensen de brieven zo nalatig en slordig behandelen, de postzegel vergeten of op de kop plakken, en vindt dat ze erom vragen dat hun intieme epistels in de openbaarheid komen.

De mythische allure van de postbodes in de kunsten heeft dus te maken met de mogelijkheid dat hij alles kan weten over de geadresseerden. Hoewel zijn maatschappelijke status die van ambtenaar is, stijgt hij ver uit boven het stereotype beeld van de ambtenaar. Hij, of een zij, is bijna een bekende van je, al ken je hem of haar vaak niet. Want jij weet dat elk poststuk in jouw brievenbus door de vingers van Postbode is gegaan.

Als bij mij wederom een brief wordt bezorgd met die lelijke, felpaarse opdruk, afzender Centraal Justitieel Incassobureau Leeuwarden, dan betrap ik mezelf op de gedachte: „De postbode zal wel denken, wat een snelheidsduivel.” Het is of ik me jegens hem moet verontschuldigen.

De stereotype postbode draagt een uniform, heeft een gewichtige pet op en aan zijn schouder hangt een indrukwekkende leren tas met poststukken. Aan een postbode kun je veilig de weg vragen. Hij kent immers alle straten van zijn territorium. Postbode worden is niets minder dan een jongensdroom. PSV-voetballer Berry van Aerle vervulde die droom en werd postbode in Helmond na het beëindigen van zijn sportieve carrière.

De postbode is een redder, een bijna mythische figuur. In Jour de fête bewonderen de kinderen de postbode hogelijk. En wie kent niet het droeve liefdesverhaal dat Elvis Presley zingt met het refrein: „Return to sender, address unknown”. Terwijl dit lied juist zo opgewekt begint met een zo bekende handeling: „I gave a letter to the postman, he put it in his sack”. Schrijver Gerard Reve was heimelijk verliefd op postbodes, in veel van zijn brievenboeken komen ze voor. Ook Reve schreef brieven aan zichzelf. Hij stelde zich de volgende ochtend verdekt op „om de postbode te begluren”, aldus biograaf Nop Maas.

Reves fascinatie heeft niet alleen te maken met het in zijn ogen verleidelijke uniform. Het hangt ook samen met zijn schrijverschap. Sterker: zonder het fenomeen posterijen met daaraan onvermijdelijk verbonden de Postbode had zijn oeuvre van brievenboeken niet bestaan. Met hem zijn er vele grootmeesters uit de wereldliteratuur die met hun brieven hun romans of dichtwerken in de schaduw hebben gesteld.

Als gevolg van de noodlijdende situatie van de Nederlandse posterijen kent ons land tal van zogenoemde ‘voormalige postkantoren’. In 1991 ging het posterijkasteel aan de Nieuwezijds Voorburgwal dicht, om een jaar later als het overdekte winkelcentrum Magna Plaza heropend te worden. Het ontwerp van bouwmeester C.P. Peters uit 1899 met zijn neogotische overdaad, torenspitsen, transen en reusachtige innerlijke galerij waar altijd gejaagde stemmen fluisterden, drukte uit wat ’s lands posterijen in de negentiende eeuw betekenden: een vesting om brieven, berichten en couranten veilig te verzamelen, te ordenen en te verspreiden.

De plaats van het Amsterdamse hoofdpostkantoor vlak achter het Koninklijk Paleis op de Dam onderstreepte het grote belang. Post was de levensader van de samenleving, de hartenklop van de Nederlandse maatschappij. De postbode legde de verbinding tussen huis en buitenwereld. Zijn entree is echter minimaal: alleen de smalle opening die de brievenbus biedt geeft hem toegang. Dan maken wij, aan deze zijde van de deur, de enveloppen open en komen erachter dat we torenhoge schulden hebben openstaan, dat de politie ons op het spoor is gekomen, dat er iemand is die toenadering zoekt. Bedreigende en gelukkige zaken komen tot ons via de brievenbus, en die staat weer ten dienste van de postbode. Als we de brievenbus zouden dichtspijkeren en verzegelen, dan zijn we afgesloten van hetgeen de buitenwereld met ons voorheeft.

De digitale brievenbus maakt de postbestelling overbodig. Dat neemt niet weg dat het e-mailverkeer zich bedient van symbolen uit de ouderwetse wereld der posterijen, namelijk de envelop. Als er berichten binnenkomen, zeilt de envelop in de digitale wereld omlaag. Verstuur je een bericht dan zweeft de envelop omhoog de ruimte van het scherm in. Meer dan een eeuw lang hebben we de handelingen van een brief schrijven, dichtvouwen, in een envelop doen en van een postzegel voorzien, naar de brievenbus brengen in de overtuiging dat de brief een dag later zijn juiste bestemming krijgt als de gewoonste zaak van de wereld beschouwd. De postbode vervult daarin de beslissende rol.

Aan dit ogenschijnlijk onwrikbare beeld wordt nu getornd. Het zal een verlies zijn. De talloze films en boeken symboliseren in geconcentreerde vorm de betekenis van de postbode in het bestaan van iedereen: hij brengt binnen wat de buitenwereld, de andere mensen, dierbaren en ook vijanden met ons van plan zijn.

Wat een fantastische figuur.