Mijn eigen Troonrede B.

Den Haag:15.9.5 Ridderzaal. Troon. foto NRC Handelsblad, Roel Rozenburg

Leden der Staten-Generaal,

De ontwikkelingen van de laatste tijd hebben het dit jaar noodzakelijk gemaakt om een lange traditie te doorbreken. De Troonrede die hier wordt voorgelezen, is niet door de regering, maar door het Staatshoofd alleen geschreven. Het voorlezen van nieuwe plannen van een kabinet dat binnenkort wordt vervangen, kan niet als zinvol beschouwd worden, zeker niet nu deze plannen via de media al verspreid zijn. Steeds vaker is sprake van wederzijds onbegrip. Het gevolg daarvan is ontreddering en ook vaak eenzaamheid geweest. De afgelopen maanden hebben geleid tot bezinning op posities. Dit proces heeft onder druk van de recente formatiepogingen tot conclusies geleid. Verwijten die aan mensen worden gemaakt, kunnen tegenstrijdig zijn. Zo kan men afstandelijk worden gevonden, waar hartelijkheid was verwacht, of bemoeizuchtig, waar afzijdigheid werd gewenst.

Het is mogelijk dat mensen een opvliegend karakter hebben, ook als zij een unieke staatsrechtelijke positie bekleden. Tevens is mogelijk dat mensen in een bijzondere positie een diep besef ontwikkelen van de verantwoordelijkheid die op hun schouders rust. Zelfbeheersing kan voor het vervullen van een rol een voorwaarde zijn. Juist zij die de kracht van het gevoel kennen, worden doordrongen van de noodzaak het verstand te gebruiken. In een vorige generatie werd gedacht dat het Staatshoofd gevoel en verstand met elkaar diende te combineren. Sindsdien heeft het Staatshoofd een meer rationeel karakter gekregen. Soms gaat het niet om wie men is, maar om wie men moet en daarom ook wil zijn. Het temmen van een wild gemoed kan een zware opgave zijn. Voor de taak om naast een persoon, een instituut te zijn, moeten soms grote, persoonlijke offers gebracht worden.

Tegenwoordig wordt over het brengen van een dergelijk offer verschillend gedacht. Het belang dat aan persoonlijke gevoelens wordt gegeven, is de laatste jaren toegenomen. De onversneden uiting van blijdschap, verdriet of woede lijkt in de omgang tussen mensen vanzelfsprekend te zijn geworden. De behoefte om intieme details over onszelf te onthullen, wordt gevoed door de parallelle behoefte van wildvreemden om deze te kennen. Tegen die achtergrond wekt het soms verbazing dat sommigen hun gevoelens juist binnenskamers willen houden. Vaak is naar aanleiding hiervan opgeroepen tot meer ‘openheid’. Wat sommigen zich daarbij soms niet realiseren, is dat openheid zich kan keren tegen de mensen die er zelf om vragen. Als instituten mensen worden, worden zij toegankelijker en begrijpelijker. Maar dikwijls ook minder betrouwbaar. Instituten kunnen aan hun menselijkheid ten onder gaan.

De laatste jaren zijn partijen opgekomen die aan hun persoonlijke uitingen voorrang geven boven het nemen van algemene verantwoordelijkheid. Vaste afspraken worden steeds vaker gezien als een belemmering van de individuele bewegingsruimte. De eigen mening is, ook bij de gevestigde partijen, soms niet meer dan een vrijbrief om de orde te verstoren. Het sturen of verspreiden van brieven kan bevrijden, maar ook ontwrichten. De bevrediging die het uiten van gevoelens kan geven, lijkt soms zwaarder te tellen dan het algemeen belang, dat soms juist gebaat is bij het voor zichzelf houden van dat wat eigen is. Zij die zich het uiten van gevoelens ontzeggen, worden daardoor teleurgesteld. Als zij in hun pogingen om de orde te herstellen, bovendien beticht worden van pogingen om het democratische proces te verstoren, kan dit leiden tot gevoelens van miskenning, ontreddering en zelfs boosheid. Bij degenen die dergelijke gevoelens normaal gesproken weten terug te dringen, kan het benoemen ervan ertoe leiden dat zij er plotseling door overmeesterd raken. Daarom ziet het Staatshoofd zich nu genoodzaakt om in deze troonrede van perspectief en toon te veranderen.

Dat uitgerekend ik ervan word beschuldigd dat ik tijdens de formatie mijn formele boekje te buiten ben gegaan, is van de gekke. Ik heb mij altijd in alle mogelijke bochten gewrongen om de formele rol die ik bij mijn geboorte heb gekregen zo goed mogelijk te vervullen. De gevoelens waar iedereen het altijd zo graag over heeft, ken ik van mijzelf daardoor nauwelijks. Een politieke mening heb ik niet. Natuurlijk heb ik zo mijn ideeën. Ik houd van tompouces. Maar doet dat ertoe? Mijn zorg gaat niet uit naar wat de politiek besluit. Mijn zorg gaat uit naar hoe dit gebeurt. Ik heb slechts een persoonlijke overtuiging die van belang is voor ons land. En dat is dat vorm ons moet behoeden voor verval. Daarom wil ik dat men mij ‘Majesteit’ noemt. Daarom rijd ik op Prinsjesdag in een gouden koets en daarom draag ik tijdens het lezen van deze troonrede een sjerp. En daarom wil ik niet dat politici grove taal gebruiken, dat een formateur zich in een brief distantieert van een eerder ingenomen standpunt, of uit de school klapt over wat met mij besproken is. Daarom wil ik niet dat men via de televisie te horen krijgt wie er met wie gaat regeren. Daarom wil ik dat een formatie ordentelijk verloopt. Ik heb in mijn leven maar een doel: vorm geven. Aan u.

Nu mijn poging om dit naar beste eer en geweten te doen als ‘politieke inmenging’ betiteld is, voel ik mij genoodzaakt om daaruit mijn conclusie te trekken. Anders doe ik afbreuk aan mijn eigen opdracht. Mijn rol is uitgespeeld. Langer aanblijven zou mijn positie en daarmee de monarchie, zoals ik haar zie, beschadigen. Mijn zoon staat klaar om mij op te volgen. Hij vindt vormen oppervlakkig. Hij wil vooral zichzelf zijn. Ik vertrouw erop dat hij zich goed in u zal kunnen vinden.