Maatschappelijk nut of zelfverrijking

„Dat ding alleen al heeft me 3.000 euro gekost.” Wijnmaker Francesco Boschis in het Noord-Italiaanse Dogliani, Piemonte, wijst op een extra onderdeel op zijn etiketteermachine dat de accijnszegels om de hals van de flessen wikkelt. Die zegels moet hij op voorhand kopen, op grote rollen die hij in theorie in een kluis zou moeten leggen, maar dat is hem te veel rompslomp. Dus liggen ze los op een werkbank.

Behalve de zegels betaalt Francesco Boschis ook een vast bedrag aan de Dienst der Accijnzen, als vergoeding voor hun algemene kosten. „Ze hebben er geen enkel belang bij die kosten laag te houden”, zegt hij met spijt. „En het interesseert ze niets dat ik daardoor moeilijker kan concurreren met wijnmakers in Frankrijk en andere landen waar het efficiënter geregeld is.”

Sommige mensen, zoals Francesco Boschis, verdienen hun inkomen door een goed product te leveren waar klanten vrijwillig geld voor over hebben. Anderen doen werk waar geen individuele afnemers voor zijn, maar dat toch belangrijk is. Dat zijn onder anderen de mensen die de fysieke en sociale infrastructuur van een stad, streek of land onderhouden. Zij krijgen daarvoor betaald door middel van heffingen of belastingen die door anderen wordt opge-bracht. Zo doen de accijnsambtenaren in Piemonte nuttig werk, want belastingen moeten geïnd worden.

Tegelijk wijst de klacht van Boschis op een zwakke plek in het systeem van heffingen: er zit geen natuurlijke rem op. Een wijnmaker moet goed opletten hoeveel geld hij van zijn klanten vraagt, anders gaan zij naar een ander. Als de kosten van de Dienst der Accijnzen te hoog worden, kan Boschis niet weglopen. Betalen moet hij, betalen zal hij.

Engelstalige economen kennen een begrip, economic rent, waarvoor bij ons geen goed equivalent bestaat. Ik begrijp dat onze economen het meestal onvertaald laten, wat suggereert dat ze het niet zo belangrijk vinden. Dat is jammer. ‘Economic rent’ is, kort gezegd, excessief inkomen boven wat je echt verdient door nuttige dingen te leveren.

‘Economic rent’ kan bestaan op grond van privilege of positie, en door concurrentie te verbieden of onmogelijk te maken. Het doet denken aan het middeleeuwse ondernemingsmodel van de gilden. Zij verenigden ambachtslieden van een bepaalde stiel, bijvoorbeeld wolwevers, en wie geen lid van het gilde was, mocht zich daar niet mee bezighouden.

Aanvankelijk waren de gilden een belangrijke factor in de ontwikkeling van techniek, vakmanschap en kwaliteitsgaranties, wat een rechtvaardiging vormde voor hun privileges. Maar bijna altijd kwam er een punt waar het algemeen belang steeds minder werd gediend en de concurrentiebeperkende privileges vooral gebruikt werden om te zorgen dat de overwinsten bleven binnenkomen.

Van maatschappelijk nut naar zelfverrijking dus. De weelderige gildehuizen in steden als Brugge en Brussel zijn nu nog getuigen van de rijkdom die op die manier vergaard werd. Het eigenbelang van de gilden en hun leden werd de bepalende drijfveer, en er was geen overheid of vorst die er iets aan deed. Die hadden zelf belang bij het systeem, doordat zij regelmatig flinke sommen geld bij de gilden konden ophalen.

Het is jammer dat ‘economic rent’ bij ons niet op de agenda staat. Gildevorming en privileges zijn ook hier en nu nog aan de orde van de dag, inclusief de bijbehorende risico’s van zelfverrijking of institutionele boulimie. Want het gaat niet alleen om Italiaanse accijnsambtenaren. De gilden van nu zijn ook te vinden in de talloze sectoren waar, met een beroep op het algemeen belang, certificering en registratie een vereiste is geworden om een vak uit te oefenen of een bedrijf te beginnen.

De zorg voor beunhazerij en reputatieschade is altijd legitiem en vroom geformuleerd, maar is er ook iemand die oplet dat er met deze certificeringen en registraties geen grotere of kleinere gildehuizen worden opgetrokken? Geven bijvoorbeeld de uitbundige bankhoofdkwartieren in Amsterdam, Londen en elders niet te denken, bijvoorbeeld over het feit dat banken bij de Europese Centrale Bank vrijwel gratis geld kunnen lenen, terwijl gewone bedrijven er niet welkom zijn? Vertellen de Porsches Cayennes in de parkeergarages van de Big Four-accountantsfirma’s niet het zelfde verhaal over de lasten van wettelijk verplicht ondernemingstoezicht en over de welvarende elite die daar een monopolie op heeft?

Dirk III – niet die van de drankwinkels maar de Graaf van Holland – legde in de elfde eeuw bij Vlaardingen een tolpost aan. Een koopman die daar met zijn schip langs wilde, moest betalen. Wie in deze tijd met een schip de Rotterdamse haven in wil, betaalt ook. Het verschil is dat het nu een vergoeding is voor het gebruik van haveninstallaties, terwijl Graaf Dirk niets had gedaan aan bijvoorbeeld de vaargeul of de aanleg van kades. Hij liet zich betalen om geen andere reden dan dat hij met een stel gewapende lelijkerds een strategische plek bezette. Het begrip ‘economic rent’ was nog niet uitgevonden, maar hij wist precies hoe het werkte.

‘Economic rent’ is een nuttig concept om bestaande en aspirant-hoeders van het algemeen belang te beoordelen. Hoeveel macht of invloed denken ze naar zich toe te trekken? Welke wettelijke privileges willen ze hebben? Wat willen ze aan anderen kunnen verbieden of opleggen? Hoeveel geld willen ze daarvoor hebben, en wie draait daarvoor op? En vooral, tot welk punt is dat nuttig voor de samenleving, en waar wordt de eigen macht, positie of continuïteit, hoe verhuld ook, het hoofdmotief?

Het gold destijds voor de gilden, het geldt nu voor de Italiaanse Dienst der Accijnzen. Het geldt ook voor wet- en regelgevers, toezichthouders, inspecties en alle moderne gilden zoals advocaten, accountants en bankiers.

Francesco Boschis moet wel kunnen doorgaan met goede wijnen maken en verkopen. Als hij te veel lasten op zijn nek krijgt, houdt hij het niet vol. Dat levert minder wijngenot op, en nog gederfde accijnzen ook.