'Ik houd niet van de moderne tijd'

Het is een verslaving. Jef Rademakers verzamelt romantische kunst. „Ik stel geen grenzen. Ik ben krankzinnig van die schilderijen.”

„Het is net een droom, meer dan een verdiende erkenning.” Jef Rademakers (1949), kunstverzamelaar en voormalig maker van televisieprogramma’s, zit hoofdschuddend aan tafel in zijn huis ‘De Drie Gratiën’ in het Vlaamse Brasschaat. „Ik kan het nog steeds niet geloven”, mompelt hij. „Mijn collectie naar de Hermitage, dat is toch onwerkelijk?”

Ruim twintig jaar geleden begon de bedenker van succesvolle tv-programma’s als Klasgenoten, Pin Up Club en De Geloof, Hoop en Liefde Show met het verzamelen van romantische schilderijen. Nu, in zijn ruime woonkamer vol marmeren vloeren en omringd door werken van Henri van Assche en Bart van Hove, bladert hij hoofdschuddend door de gloednieuwe Russische catalogus waarin zijn collectie negentiende-eeuwse schilderijen is opgenomen. „Dit is echt aandoenlijk”, zegt hij. „Het is de eerste keer dat mijn collectie is beschreven, ook al kan ik het dan niet lezen.”

Onder de titel A Romantic View zullen vanaf eind volgende maand drie maanden lang zeventig hoogromantische schilderijen, waaronder werken van B.C. Koekkoek, Andreas Schelfhout, Petrus van Schendel, Basile de Loose en Jacob Abels, in vijf zalen van het Winterpaleis van de Hermitage hangen. De manier waarop deze tentoonstelling tot stand kwam beschrijft Rademakers als ‘een avontuur’. „Die Russen hebben wel een aparte manier van werken”, zegt hij grinnikend.

Ruim een jaar geleden ontving Rademakers een email van de directie van de Hermitage in Sint Petersburg. Het bericht bestond uit één zin: ‘Professor Piotrovski had die aufstellung bejaht’. Nog geen maand daarvoor was Boris Asvarich, conservator van het Russische museum, bij Rademakers in Brasschaat op bezoek geweest om zijn collectie te bekijken. „We liepen door de kamers en ik zei tegen hem: uw prestigieuze museum zit vast niet op dit soort schilderijen te wachten’”, vertelt Rademakers. „Maar Asvarich antwoordde alleen maar: ‘Wir werden sehen’.”

Na het vertrek van de conservator vroeg Rademakers aan Benno Tempel, directeur van het Haags Gemeentemuseum, om een aanbevelingsbrief over zijn collectie voor de directie van de Hermitage. Drie weken later arriveerde op een donderdag een nieuwe brief uit Sint Petersburg. Daarin werd nogmaals werd bevestigd dat Hermitage-directeur Mikhail Piotrovski en Het Wetenschappelijk Comité van het museum positief hadden gereageerd op het voorstel om een tentoonstelling aan de collectie Rademakers te wijden. „Men verwachtte mij de volgende woensdag om elf uur in de directiekamer van de heer Vilinbakov, de onderdirecteur van de Hermitage. Ik ben toen onmiddellijk naar het Russisch consulaat in Antwerpen gegaan om een visum aan te vragen. Daar werd ik uitgelachen, ze zeiden dat het niet mogelijk was om op zo’n korte termijn iets te regelen.”

Rademakers toonde de brief van de Hermitage. „Toen was het binnen een mum van tijd geregeld. Woensdagochtend zat ik in het Winterpaleis, het voltallige comité was aanwezig. Ze toonden zich bereid de tentoonstelling te maken mits ik zelf de kosten voor het vervoer van de collectie zou betalen. Daar heb ik mee ingestemd. Ik verdien hier dus niets mee, integendeel, maar het gaat me om de erkenning.”

In 1993 stopte u met het maken van televisieprogramma’s. Inmiddels verzamelt u al meer dan twintig jaar schilderijen. Hoe is die liefde voor de kunst ontstaan?

„Ik had het helemaal gehad met de tv-wereld. Pas op latere leeftijd ben ik me voor schilderkunst gaan interesseren. Voor mijn twintigste had ik nog nooit een stap in een museum gezet. Maar halverwege de jaren tachtig, toen ik al een tijd werkzaam was als televisieproducent, kreeg ik van de NOS de opdracht voor een serie over kunst. In die tijd leerde ik om echt goed te kijken en groeide met name mijn waardering voor de oude meesters uit de Gouden Eeuw.

„Toen ik stopte bij de televisie, ben ik me volledig gaan richten op het verzamelen. In die periode heeft de Haagse kunsthandelaar John Hoogsteeder, bekend van het AVRO-programma Tussen kunst en kitsch, mij onder zijn hoede genomen. Van hem kocht ik een piepklein schilderij van een grote meester. Daarna heb ik een paar zeventiende-eeuwse schilderijen gekocht, maar ik kreeg al snel door dat, als ik me echt in de zeventiende-eeuwse iconografie wilde verdiepen, ik jaren studie nodig zou hebben. Ik moest me beperken tot één genre. Toen ik Hoogsteder meedeelde dat ik voortaan alleen romantische meesters wilde kopen, trok hij een misprijzend gezicht. Hij noemde hen ‘kladschilders’ en ‘sjablonenwerkers’.”

Uw smaak is niet onomstreden. Romantische schilderkunst wordt vaak afgedaan als sentimenteel. Wat vindt u van die minachting?

„Onterecht. Een snobistische kunsthandelaar heeft wel eens tegen mij gezegd: de Hollandse romantiek is slechts ‘koektrommeltjeskunst’ . Alsof dat erg is. In het Louvre zijn alleen topstukken uitverkoren om de deksels van koektrommels te sieren.

„Voor mij vormt de Romantiek een onmisbare schakel tussen de de Gouden Eeuw en de moderne kunst. Net als de oude meesters probeerden de romantici de werkelijkheid zo getrouw mogelijk weer te geven. Maar naar mijn gevoel gingen ze een stap verder: ze probeerden de werkelijkheid te verbeteren. Je ziet dat ze de werkelijkheid op een andere manier wilden ervaren: het landschap is groots en verheven, vol bergmassieven en indrukwekkende ruïnes.

„Het feit dat de Verlichting niet had gebracht waar mensen begin negentiende eeuw op hoopten, het gegeven dat de ratio niet alles kon overwinnen, veroorzaakte een zeker gemis. Men zocht naar zingeving, maar die God met die baard was niet meer het antwoord. Deze kunstenaars gingen op zoek naar de mystiek, met de natuur in de rol van de schepper.”

De expositie heet ‘A romantic view’. Bent u een romanticus?

Ik heb het gevoel dat het romantische landschap naadloos aansluit bij mijn diepe levensovertuiging. Wat mij raakt in die schilderijen is een soort nostalgie, een terugverlangen naar een wereld die nooit heeft bestaan. Ik ben me ervan bewust dat de negentiende eeuw een tijd was waarin mensen werden geteisterd door armoede en ziekte, maar in mijn beleving was die wereld nog ongeschonden.

„Die ongeschondenheid wordt niet alleen tot uitdrukking gebracht door de natuur te idealiseren maar ook door de binnenwereld te verheerlijken. Dat zie je bij een Vlaamse schilder als Basile de Loose, een typische vertegenwoordiger van het Biedermeier-gevoel. Zijn verheerlijking van het gezinsleven is een manier om de boze wereld buiten te sluiten. En dat zie ik graag. Ik heb er al moeite mee als er op een landschap van Schelfhout rookpluimen van een stoomtrein te zien zijn. Dat is een eerste teken van de moderne tijd die de wereld binnentreedt.”

Toch schuilt er in die natuurlandschappen vaak ook een sterk besef van vergankelijkheid.

„Vroeger struinde ik met Gerard Reve, met wie ik goed bevriend was, alle kerkhoven van Europa af. Ik ben geobsedeerd door de vergankelijkheid. Als ik de schepping had mogen regelen, had ik het heel anders aangepakt. Deze schepping is namelijk gebaseerd op één ding: de dood. Principieel deugt dat niet. En als gedachte is dit gegeven onverdraaglijk. Ik kan dit leven alleen volhouden door mijzelf een rad voor ogen te draaien, door te leven met de gedachte dat de dingen er voor altijd zullen zijn. Daarom probeer ik mijn bestaan om te vormen tot een sprookje. Deze schilderijen helpen mij om de dag door te komen.”

Dus het opbouwen van een kunstcollectie is een manier om de harde werkelijkheid te ontvluchten?

„Jazeker. Schilderijen kopen is een verslaving. De eerste keer dat ik bij een veiling was, had ik het gevoel te kijken naar een ritueel, het was enorm intrigerend, de zwijgzaamheid, de bordjes die omhoog gingen. Toen ik het zelf ging doen merkte ik hoe ongelooflijk spannend het is. Iedere keer ga ik er bijna aan onderdoor: de adrenaline schiet door mijn lichaam, mijn maag draait zich om. Daarin ben ik overigens niet de enige. Ik ken een Kroatische kunsthandelaar die onder het bieden af en toe naar buiten moet om over te geven.”

Hoe weet je wanneer je moet stoppen met bieden?

„Ik kan heel slecht mijn grenzen bepalen, dat heb ik altijd al gehad. Ik ben zo krankzinnig van die schilderijen dat ik mijn bestaanszekerheid ervoor in gevaar zou kunnen brengen. Vorige maand werd er op een veiling in Londen een schilderij van Ferdinand Georg Waldmüller te koop aangeboden. Het werd aangeboden voor 70.000 pond, toen het de 120.000 pond was gepasseerd, wilde ik nog door. Gelukkig zat mijn vrouw Ursula naast mij zo hard te zuchten, dat ik ben opgehouden.”

U heeft last van verslavende neigingen. Was dat ook het geval in de tijd dat u nog voor de televisie werkte?

„Ja absoluut. Ik heb de televisie destijds gebruikt om daarmee iets over mijzelf te zeggen: alle programma’s waren in feite afsplitsingen van mijn gestoorde persoonlijkheid. Alcohol, kunst, liefde: ik moet altijd mijn grens bewaken, anders verlies ik mijzelf. Ik zag die programma’s als een vorm van therapie. Klasgenoten, mijn grote succes waar ik uiteindelijk mijn geld mee heb verdiend, ging in feite over de vergankelijkheid. Mensen die elkaar na jaren terugzien en geconfronteerd worden met de kwestie wat ze van hun leven hebben gemaakt. Al die bejaarden die weer als tieners zitten de giechelen in de schoolbanken, het toont de illusie van schoonheid, van het besef dat de dingen niet eeuwig blijven bestaan. En als ik niet zo onbedaarlijk hield van schaars geklede meisjes, had ik nooit zoiets als de Pin Up Club bedacht.”

In uw collectie bevinden zich een aantal nachtelijke schilderijen van Jacob Abels. Wat vindt u zo mooi aan zijn nocturnes?

„De nacht is het domein van de spoken en demonen. Die dreiging, maar ook het magische van de nacht, komt voor mij tot uitdrukking in de maanverlichte schilderijen van Abels. Als kind was ik bang om naar bed te gaan, op een of andere manier was ik er nooit gerust op dat de dag weer zou aanbreken. Dat heb ik nog steeds. Maar overdag is er gelukkig de alcohol en ’s nachts zijn er slaappillen.”

Hoe zit het met de waardering voor de romantische schilderkunst in de kunst- en museumwereld?

„Ik denk dat die de laatste decennia al is gegroeid. Je ziet het aan de prijzen op de veilingen, die schieten omhoog. Bovendien heeft een deel van mijn collectie al in verschillende musea gehangen. In 2005 was er in de Kunsthal een grote tentoonstelling over de meesters van de Romantiek, vorig jaar werd er in De Hallen in Haarlem een tentoonstelling gewijd aan het sublieme landschap. Volgend jaar leen ik een deel van mijn collectie uit aan het Haags Gemeentemuseum die een tentoonstelling gaan maken over de Haagse Romantiek in de negentiende eeuw.”

Zal de waarde van uw schilderijen stijgen als ze in een gerenommeerd museum hebben gehangen?

„Jazeker. Ik heb al emails gekregen van kunsthandelaren die schreven dat ze dit fantastisch vinden voor ‘het genre’. Maar dit is echt geen platte commerciële actie. Dit is een waardevermeerdering die niet wordt verzilverd. Ik ben echt niet van plan om een collectie, die in het beroemdste museum ter wereld heeft gehangen, te gaan verpatsen.”

Hoe gaat u dat vervoer van uw schilderijen regelen? Ik kan me voorstellen dat u daar van wakker ligt.

„Absoluut. Ik ben bloednerveus. Binnenkort worden de schilderijen hier ingepakt en per vrachtwagen naar Lubeck gereden. Vanaf daar gaan ze per boot naar Helsinki en worden over land vervoerd naar Sint Petersburg. Die reis zal in totaal zo’n vier tot vijf dagen duren. Ik ga mee, ik laat die schilderijen geen moment uit het oog.”

Kijkt u er tegenop om in een huis te leven waar u niet langer omringt bent door uw schilderijen?

„Het zal heel raar zijn om tegen die lege muren te moeten aankijken. Maar ik ga gewoon door met verzamelen en met extra aandacht volgen wat er op de kunstbeurzen gebeurt. Ik ben de eerste in de rij om iets nieuws te kopen.”

De expositie ‘A romantic view’: van 29 oktober t/m 6 febr 2011 in de Hermitage in Sint Petersburg.