Het markt-leninisme als het verkeerde voorbeeld

De weg naar Davos loopt tegenwoordig ook via China. Het World Economic Forum, de van oorsprong westerse samenkomst in deze Zwitserse stad van kopstukken uit politiek en bedrijfsleven, hield deze week zijn zomertop in het Chinese Tianjin. Deze ontmoeting van de Nieuwe Kampioenen krijgt volgende maand een vervolg in een zusterbijeenkomst over het Midden-Oosten en Noord-Afrika. Een maand later volgt een top in India en tot slot een internationale top over de ‘mondiale agenda’ in Dubai.

De proliferatie van het World Economic Forum zegt het nodige over de ordening van de wereldeconomie. Die verdient het predicaat ‘multipolair’ inmiddels ruimschoots. De tijd van de, achteraf bezien, overzichtelijke strijd der systemen tussen de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie, en hun satellieten, ligt al 21 jaar achter ons. Dit bipolaire systeem leek aanvankelijk plaats te maken voor een unipolaire variant met de VS als spil. Een constatering die de Amerikaanse filosoof Francis Fukuyama in 1989 bracht tot het suggereren van ‘het einde van de geschiedenis’: met de botsing tussen these en antithese achter de rug leek de wereld onverkort af te stevenen op het zegevierende model van kapitalisme en democratie.

Dat was toen. Hoewel de VS nog steeds de politieke, economische en militaire zwaargewicht zijn, verschuift het zwaartepunt in de wereldeconomie naar Azië, met name naar China. En daarmee ontpopt zich het rivaliserende maatschappelijke model van de kapitalistische eenpartijstaat. Met het kleine Singapore als wegbereider heeft deze ordening zich inmiddels stevig in China gevestigd. Dit ‘markt-leninisme’, zoals het al treffend is genoemd, kan navolgers krijgen. Cuba maakte deze week bekend het ondernemerschap weer in te voeren en de staat in te krimpen – maar wel met behoud van de almacht van de communistische partij. Er is niet veel fantasie voor nodig om ook in Rusland een dergelijke beweging te zien.

Misschien is het markt-leninisme een fase waarin de heersende partij economische vrijheden alleen maar toestaat om zo tot het laatst toe de macht vast te houden. Terwijl die macht fundamenteel wordt aangetast door de onhoudbaarheid van de economische situatie. Zo ziet het Westen het althans graag: op het kapitalisme volgt onontkoombaar de democratie. De opstand op het Plein van de Hemelse Vrede in Peking werd verwelkomd als het vanzelfsprekende bewijs dat de opkomende middenklasse in China geen genoegen zou nemen met het gebrek aan politieke vrijheid. Ook dat is 21 jaar geleden. Met een mengsel van structurele welvaartsgroei en groeiend nationalisme is die aandrang voorlopig effectief bestreden.

Is dat reden tot pessimisme? Daarvoor is het veel te vroeg. Kapitalisme en een eenpartijstaat blijven met elkaar in tegenspraak. Repressie en corruptie zijn de lijm die politieke onvrijheid en economische vrijheid bijeen houden. Het accepteren van deze combinatie staat gelijk aan het toegeven dat de mensenrechten niet universeel zijn, maar lokaal en cultureel bepaald. Fukuyama constateert nu een terugkeer naar een multipolaire wereldorde. Maar hij is er ook nog steeds van overtuigd dat alleen de democratische ideologie universele geldigheid heeft. Dat moet inderdaad de leidraad blijven. In Azië is men al geneigd Europa als een cultureel en economisch museum te zien. Prima. In een museum valt veel te leren.