Haat, haat, heerlijke haat! Maar op wie richten wij onze pijlen?

Mensen die publieke figuren haten, denken dat ze iets goeds doen

Reduced price copies of the memoirs of former British Prime Minister Tony Blair are seen in the window of a bookshop in London September 6, 2010. Blair said on Monday he had cancelled a book-signing in London this week to mark the launch of his memoirs, over fears the event would be hit by protests. REUTERS/Toby Melville (BRITAIN - Tags: MEDIA CIVIL UNREST POLITICS) REUTERS

Schrijversnaam van Anthony Daniels. Brits psychiater. Herfst vorig jaar verscheen zijn bundel ‘Profeten en Charlatans’ (Uitgeverij Nieuw Amsterdam).

Mensen die publieke figuren haten, denken dat ze iets goeds doen

Niemand heeft zo’n grote afschuw van Tony Blair als ik. In plaats van te betalen om hem te horen spreken, zou het me een lieve duit waard zijn om hem niet te hoeven aanhoren. Voor mij en tal van anderen, naar ik vermoed, is hij een nachtmerrie die ik liever niet nog een keer wil meemaken.

Het laatste wat ik dan ook zou doen, is hem in een joelende menigte op straat gaan uitjouwen, iets waartoe veel van mijn medeburgers bereid lijken. Dat zou niet alleen zijn eigenwaan versterken als man van principes die niet opzij gaat voor gevaar, maar ook zijn sterk ontwikkelde maar even misplaatste gevoel van belangrijkheid. Zoals veel politici wordt Blair veel liever gehaat dan genegeerd, want dat is de ergst mogelijke straf die hem ten deel zou kunnen vallen.

Het trieste is dat mensen die zich bezondigen aan publieke uitingen van haat jegens publieke figuren daarvan genieten – ze smaken steeds beter en ze smaken naar meer. Door zich aan hun haat over te geven, krijgen ze het plezierige gevoel dat ze iets goeds doen en dat ze dús goed zijn. Hoe heftiger en feller ze zich uiten, hoe meer goed ze denken te doen en hoe beter ze zichzelf wanen.

Alles in Nederland is rijp voor een herontdekking van de geneugten van de haat, om met de vroeg-negentiende-eeuwse Engelse essayist William Hazlitt te spreken. De Nederlandse traditie van het compromis had ongetwijfeld vele verdiensten, maar ze gunde mensen niet de kans om uit principe te haten – en dat is een van de betrouwbaarste en duurzaamste genoegens die de mens kent. Maar nu de krachten van de zelfvoldaanheid frontaal botsen met die van de demagogie, is haat niet alleen redelijk maar in aanleg zelfs een teken van deugdzaamheid geworden, zodat wie onvoldoende haat, blijk geeft van een gebrekkig maatschappelijk besef.

Maar het is moeilijk om in de hedendaagse haatbetuigingen niet een valse noot te horen. Zo is de buitensporige emotionele lading van de protesten tegen Blair gewoon een spiegelbeeld van de buitensporige emotionele lading van belachelijke toespraken van Blair zelf. Met andere woorden, we hebben de neiging te gaan lijken op onze grootste schrikbeelden, we nemen de ondeugden over van de mensen die we zogenaamd haten.

Het pausbezoek aan Groot-Brittannië dreigde te worden verstoord door enragés. Vooraanstaande intellectuelen stelden zelfs voor hem te arresteren wegens misdaden tegen de menselijkheid. Maar waar gaat de woede in werkelijkheid over? Ten dele keert die zich ongetwijfeld tegen een man die het lef had op te komen voor piëteiten die ouder zijn dan die van de hedendaagse grotestadsbewoner. Maar uit de heftigheid van de veroordelingen spreekt iets anders dan alleen een intellectueel meningsverschil.

Als ik de escalerende, zichzelf versterkende woede zie die onze samenleving lijkt te beheersen, denk ik onwillekeurig aan de woorden van mevrouw Gradgrind in Hard Times van Dickens als haar dochter vraagt of ze pijn heeft: „Ik geloof dat er ergens in de kamer een pijn is... maar ik kan niet met zekerheid zeggen dat ik die heb.”

Er zijn heel wat boze mensen in onze samenleving die niet precies kunnen zeggen waar ze boos om zijn. Hun woede lijkt onafhankelijk van een welomlijnde oorzaak. Daarom verbinden ze die aan een symbolische figuur, iemand die met een zekere geloofwaardigheid verantwoordelijk kan worden gesteld voor een bepaalde publieke misstand.

Veel emoties kunnen bestaan zonder een duidelijk object. Angst bijvoorbeeld. Ik denk dat de moderne mens gevoelig is voor een vrijzwevende woede omdat alle materiële vooruitgang van de afgelopen eeuw of daaromtrent en de verbetering van de levensstandaard die daaruit voortvloeide, ons niet dichter bij enig beloofd land hebben gebracht.

Integendeel, onze teleurstelling en woede dat het leven zinloos is, dat we kortstondig verblijven in een onvoorstelbaar groot, koud en onverschillig heelal, is alleen maar toegenomen. Sommigen van ons uiten hun woede, hun woede tegen het dovende licht, door deze op haatobjecten te richten en denken daarmee een zin of een doel te hebben gevonden dat boven ons uitstijgt.