Flevolands mooie, harde natuur

De Flevopolder is afgelopen zomer uitgeroepen tot het ‘lelijkste landschap’ van Nederland. Geheel ten onrechte vindt Kester Freriks.

Het zal je als landschap maar overkomen uitgeroepen te worden tot het „leegste en lelijkste landschap” van Nederland. Deze zomer gebeurde dat: Flevoland werd de maat genomen en wat bleek: het voldeed esthetisch niet. Willem van Toorn schreef eens „de natuur is ook maar een mens”, en dat is een treffende vergelijking. Onlangs ben ik weer eens gaan kijken naar de polder in de voormalige Zuiderzee. Ik leefde mee met de gemoedsstemming van Flevoland. Maar zoals het een landschap betaamt reageerde het onaangedaan op de negatieve bekroning door een instantie die zich Vereniging Nederlands Cultuurlandschap noemt. Zo’n vereniging heeft bestaansrecht, zeker, maar het moet geen dubieuze oordelen uitbrengen die getuigen van liefdeloosheid voor Flevoland. Liever schrijf ik een ode aan dit landschap gewonnen op het water. Ik kom graag in Flevoland, en dan niet alleen vanwege de Oostvaardersplassen met hun nieuwe wildernis, de grazers en de zeearend. Ook vanwege andere aspecten van het landschap.

Wat de Nederlander een ‘mooi landschap’ noemt, is het cultuurlandschap van rond de eeuwwisseling van 1900. Kromme zandweg, weggedoken boerderij onder een eeuwenoude eik, weiland met koeien, een houten hek, boerinnetje met rammelende melkbussen. Dit ouderwetse coulissenlandschap mag op de meeste waardering rekenen.

Flevoland voldoet niet aan die ouderwetse smaak, maar heeft toch veel landschappelijk boeiends te bieden.

Er is een bos in de provincie, dat het Museumbos heet. Er is volop bosaanplant in deze polder, toegegeven, het is ontworpen bos, mede door toedoen van Staatbosbeheer.

Maar in dat bos, langs de Lijsterweg en Waterlandseweg bij Almere, heb je percelen als Vlierbomenbloesembessenbos, In eenzaamheid, Labyrint en Bos der verandering. Landschapskunstenaar Marinus Boezem ontwierp er De Groene Kathedraal, een geconstrueerde ruimte van hoog opgaande populieren van dertig meter die als de gotische gewelven zijn van de Notre Dame van Reims. ‘Leeg en lelijk’? Liefdeloos aangelegd? Geenszins. Elk landschap heeft zijn eigen schoonheid.

Het grootste deel van Flevoland viel in 1968 droog. Ten zuidwesten van Zeewolde ligt het Horsterwold, een afwisselend parkachtig landschap. Niet veel verder huist De Stille Kern, meer dan duizend hectare landschapsschoon. Niet wild, wel geordend. Maar het coulissenlandschap, mooi als een negentiende-eeuws schilderijtje, is ook geordend. Niet mooi zijn de rommelige bedrijventerreinen van Flevoland. Die vinden we helaas overal in Nederland als een woekering.

Het mooie van Flevoland is de bedachte constructie ervan. Soms waan ik me, zeker bij hard en helder licht, in het Amerikaanse midwesten. De lijnrechte wegen geven een sensatie van ruimte. De boerderijen zijn stoere eilanden in het intens vlakke land van klei. Dit land is gewonnen op de zee, die strijd bespeur je op vele plekken.

Het is rationeel bedacht land en zelfs de nieuwe wildernis van de Oostvaardersplassen is bedacht, zoals heel Nederland bedacht is. De natuur, de vogels, de rondzwevende zaden, de dieren, de paddestoelen die nu al in Flevoland op beginnen te schieten, zoals overal elders: die trekken zich van die bedachtzaamheid van de mens niets aan.

En dit laatste is wel de allergrootste reden Flevoland tot de mooiste provincie uit te roepen: in de ultrakorte tijd van nog geen tien jaar veranderde in de jaren zeventig een vergeten stuk land met als bestemming bedrijventerrein tot gevarieerd en soortenrijk natuurgebied. Moeras, rietland, water, wilgenbos. Dat is niet de zachte natuur van een door lommer omsloten boerderij, maar harde natuur. Die hebben we veel te weinig in ons land.

Van Kester Freriks verschijnt deze week het boek Verborgen wildernis, een ode aan het Nederlandse landschap, met historische kaarten. www.uitgeverijathenaeum.nl