Dood loert op Limburgse oehoe

Drie dode oehoes uit Limburg blijken allemaal ongekend hoge gehalten van pcb’s in hun lijf te hebben gehad. “Zo worden oehoes niet oud”, zegt onderzoeker Hugh Jansman.

Aan de eerste Limburgse oehoe die Hugh Jansman in 2003 op zijn snijtafel kreeg was eigenlijk niets bijzonders te zien. Geen verwondingen, geen rare afwijkingen. Pas toen hij wat weefsel naar de toxicoloog stuurde gingen de alarmbellen rinkelen. “Hij vond pcb-gehalten die we nog niet eerder in Nederlandse dieren hadden gevonden”, vertelt Jansman. “De tweede oehoe die we dat jaar binnenkregen, ook uit Zuid-Limburg, had zelfs nog veel hogere pcb-waarden.”

Enigszins tot Jansmans verbazing leidden de analyses van Alterra niet tot grote beroering. “Twee dode oehoes met ongekende hoeveelheden gif in hun lijf, uit één en dezelfde omgeving. Dan wil je toch weten waar dat vandáán komt?!” Onlangs werd het mysterie alleen maar groter. Een derde dode oehoe, uit een ander deel van Limburg, bleek ook een dodelijke dosis pcb’s in zijn lijf te hebben. “En inmiddels liggen er nog diverse dode uilen in mijn vriezer te wachten op analyse.”

Voor de provincie Limburg was de derde gif-oehoe scheepsrecht: reden voor onderzoek. In opdracht van de provincie is begonnen enkele vogels met een zender uit te rusten, vertelt Jansman. “Daarmee kan nauwkeurig in beeld worden gebracht waar de vogels hun voedsel zoeken en hopelijk dus ook waar ze hun pcb’s oppikken.” Onderzoeker René Jansen, die namens de provincie het veldwerk doet, laat op zijn computer zien waar de gezenderde vogels zoal uithangen. “Eén van de eerste grote verrassingen was dat de oehoes zelfs in doodgewone woonwijken hun voedsel zoeken. Wie er oog voor heeft kan in iedere Zuid-Limburgse wijk een oehoe op een dakrand zien zitten, op zoek naar een duif of een egel. Maar het kan heel moeilijk zijn een oehoe te zien. Soms rijd ik er met een antenne achteraan. Dan weet ik dat ik er bovenop zit, maar dan nog kun je de grootste uil van de wereld in het donker over het hoofd zien.”

PCB-VERZAMELPLEKKEN

Het zenderwerk heeft nog geen begin van een verklaring geleverd voor de hoge gifgehalten. Jansman: “Door de mens geloosde pcb’s zijn in het verleden op grote schaal in het milieu terechtgekomen. In ons land zijn de uiterwaarden van de grote rivieren notoire pcb-verzamelplekken. Het probleem is dat deze stoffen zo moeilijk afbreken. Ze stapelen op in de voedselketen. Het beruchtste voorbeeld zijn de ijsberen rond de Noordpool. Alle kleine beetjes pcb die ze via plankton, vis en vervolgens zeehonden in hun lijf krijgen blijven daar zitten en leiden bij de ijsbeer tot grote gezondheidsproblemen. Iets vergelijkbaars kan met de oehoe aan de hand zijn. Regenwormen pikken pcb uit de bodem op, egels eten regenwormen en stapelen het gif op. Oehoes eten weer egels en stapelen op hun beurt die stapels gif uit de egels op. De vogels met hoge pcb-gehalten waren allemaal mannetjes aan het eind van de broedtijd. Door de enorme inspanning van het voeren van de jongen hadden ze geen vet meer op hun botten en waren de pcb’s ook in de bloedbaan gekomen. Dat kan neurotoxische effecten hebben gegeven. Eén van de dieren werd bijvoorbeeld helemaal dizzy in een groeve gevonden voor hij doodging. Een ander was tegen een paal gevlogen. Mogelijk is er een structureel probleem met verhoogde pcb-waarden in het leefgebied van de Limburgse oehoes. Nader onderzoek in de voedselketen van de oehoe zal dat moeten uitwijzen.”

De ecologische consequenties van al dat gif voor de spectaculaire oehoe begint al wel duidelijk te worden, zegt Jansman. “In Limburg zien we een relatief hoge doorloopsnelheid in de verschillende oehoeterritoria. Normaal zit een volwassen paartje gauw een jaar of tien in een territorium, voor een jonger stel de macht overneemt. In Limburg zien we vaak na een paar jaar al een jong stel een openvallende plekken innemen.”

KLIFBEWONER

De oehoe is van nature een klifbewoner. In Limburg en sinds enige tijd ook in de Achterhoek betekent dit dat de vogels vooral groeven opzoeken. Daarmee zou het potentiële leefgebied in ons land vrij beperkt zijn. “Maar”, zegt Jansman, “er zijn ook al oehoes die in bomen broeden, bijvoorbeeld in oude kraaiennesten of havikshorsten. Daarmee is hun potentiële leefgebied ineens een heel stuk groter.”

Oehoe-kenner Gejo Wassink, van de Oehoewerkgroep deelt de zorgen van ecoloog Jansman. “Wij doen veel veldonderzoek in Duitsland en Nederland. Daaruit blijkt dat de Nederlandse oehoes veel meer te eten hebben, vooral duiven. Ze brengen hier gemiddeld drie jongen groot, tegen één of twee in Duitsland. Toch is bij ons de turn over veel hoger. Gemiddeld eens in de drie jaar wordt een Limburgs territorium overgenomen, vaak door oehoes uit de Ardennen of de Eiffel. Dat betekent dat Nederland voor oehoes misschien een soort ‘ecologische sink’ wordt: ze worden wel aangetrokken door onze groeven en het beschikbare voedsel, maar ze redden het hier vervolgens niet. In Duitsland worden maar zelden volwassen oehoes dood gevonden, wel onervaren eerstejaarsvogels, dus er lijkt echt iets bijzonders aan de hand in Limburg.”