Dansen voor het Derde Rijk

Frank Westerman schrijft in Dier, bovendier de familiekroniek van een paard – de lipizzaner. In het hier afgedrukte fragment krijgt het sprookje van de witte paarden een inktzwarte rand. Ze doen een gehoorzaamheidsproef voor Hitlers officieren.

Mijn bestelling lag klaar op de plank van een open kast: een filmblik van het formaat cafédienblad. Met viltstift waren de gegevens op het etiket ingevuld:

Titel: Die Spanische Hofreitschule zu Wien

Regie: Wilhelm Prager

Producent: Universum-Film AG (UFA), Berlijn

Lengte: 414 meter

Filmcensuur: alle leeftijden, vrij van godslastering

Classificatie: kunstzinnig waardevol, stichtelijk voor het volk

Première: 14.12.1939, Gloria Palast, Berlijn

Ik zat aan een speciale afspeeltafel voor 35mm-films, met allerhande knoppen en een projectiescherm. Maar het was lunchpauze, ik moest wachten tot de archivaris van dienst het lint om de spoelen had gelegd en de mij toebemeten tijd inging.

Het maken van de afspraak, de trein naar Berlijn Hauptbahnhof, de stadsrit naar het Fehrbellinerplatz met zijn onverbiddelijke nazifaçades - alles was zo pünktlich verlopen dat ik überpünktlich voor de betongevel van Duitslands filmarchief was beland. De portier had me alvast door een betegelde gang naar de ‘schouwkamer’ begeleid. Hij bleek op de hoogte van mijn komst én herkomst. ‘Dus u bent die Hollander die voor de witte paarden komt.’

Daar kwam ik voor. Of beter gezegd: voor de meest omstreden documentaire die er ooit over de Spaanse Rijschool was gemaakt. Door de Duitsers, een jaar na de Anschluss.

Er hingen bruine gordijnen voor de ramen van het filmarchief. In de vensterbank groeiden sanseveria’s en uitgelopen stekjes van citroenplanten. Ik begon alvast dossiermapK 310888 door te nemen die bij de film hoorde. Aan de binnenzijde van de kaft was een bijsluiter geplakt (een Hinweis) over hoe de argeloze kijker ‘films uit de nationaal-socialistische tijd’ tot zich diende te nemen. Hoe Duits. Ik werd gewaarschuwd dat de film die ik op het punt stond te bekijken uit het tijdvak stamde van de door de nazi’s georkestreerde propaganda, die het pad had geëffend voor de Holocaust. Volgde een citaat van Goebbels die al in 1933 had geëist dat Duitse films voortaan ‘volkse contouren’ moesten krijgen, en dat kunst alleen nog bestaansrecht had wanneer zij ‘is geworteld in het nationaal-socialistische aardrijk’. De rest was ‘ontaarde’ kunst, en zou in al haar weerloosheid op z’n middeleeuws te schande worden gemaakt en verdelgd.

Van de regisseur, een zekere Wilhelm Prager, was een filmografie opgenomen: hij had zijn naam verbonden aan meer dan vijftig films, waarvan elf over paarden. Prager, geboren in 1876, was 79 jaar geworden. Hij had (althans op latere leeftijd) een mond als een humorloze streep. Zijn doorbraak als regisseur behaalde hij in 1925 met een opvoedkundige ode aan het menselijk lichaam: Wege zu Kraft und Schönheit, ein Film über moderne Körperkultur.

‘Proto-fascistisch’, oordeelde de bijsluiter. Het ging om een lofzang op de kracht en bewegingen van atletisch gebouwde mannen en vrouwen die hun lijf in conditie hielden met dans, gymnastiek en af en toe een stoombad. Mens sana in corpore sano. Zelfs Benito Mussolini kwam voor de camera zijn lenigheid tonen.

Wilhelm Prager had een fascinatie voor beweging en ritmiek.

In 1928 was hij de eerste filmer die in opdracht van een Olympisch Comité de Zomerspelen (van Amsterdam) kwam vastleggen. Pragers overstap van atleten naar dressuurpaarden was op zich niet groot; het beslissende verschil zat hem echter in de tijdsbalk onder zijn filmografie: in 1928 werden er in Duitsland en Oostenrijk nog geen boeken verbrand; in 1939 waren de anti-Joodse rassenwetten van kracht (‘ter bescherming van het Germaanse bloed en de Germaanse eer’) en werd het volk klaargestoomd voor de Poolse campagne.

Met één draaiknop kon ik de band laten lopen, vertragen, stilzetten, terugspoelen. Het volume liet zich open- of dichtschuiven, verder hoefde ik niets te bedienen. De archivaris liep om de projectietafel heen en sloot de gordijnen. ‘En als er toch wat is, kunt u mij vinden aan de overzijde van de gang, kamer 323.’

Zodra ik de spoelen in beweging zette, verscheen er een stadsaanzicht van Wenen. Er klonk een geknisper als van een haardvuurtje dat plotseling werd overstemd door trompetgeschal. De Winterrijschool kwam in beeld met zijn zesenveertig Korinthische zuilen. Op de bovengalerij stond een blaasorkestje opgesteld. De muzikanten zelf zag je niet, maar wel hun instrumenten: er hingen vlaggen aan met hakenkruisen.

De toon was gezet. De camera reed achterwaarts door de gangen van de Stallburg, waar de schoolhengsten gepoetst en nieuwsgierig klaarstonden voor een ongewone voorstelling. Uit een zijpad kwamen de ruiters een voor een aangelopen, voorop erste Oberbereiter Zrust, met achter zich zijn schaduw Lindenbauer. Dit waren Oostenrijkers, k.u.k-Leute van top tot teen. ‘K.u.k.’ was de afkorting en tegelijk het codewoord voor Kaiserlich und Königlich. Ze droegen zwartleren laarzen met kniekappen en blinkende sporen, niet omdat laarzen weer in de mode waren, maar uit traditie. Op 3 minuut 20 was er een ontmoeting met twee – eveneens hooggelaarsde – officieren van de Wehrmacht en een dame in mantelpak.

‘Heil Hitler!’ Zrust strekte zijn arm, zijn bezoekers groetten exact gelijktijdig terug. Beide delegaties stonden op een binnenplaats, de Duitsers in de schaduw van een boom, de Oostenrijkers in de felle zon – als op appèl. Voelden Zrust en de zijnen zich onwennig – of waren ze juist ingenomen met hun nieuwe leider in Berlijn? Feit was dat de Duitsers in maart 1938 onder gejuich Oostenrijk waren binnengemarcheerd en ook: dat zij de rijschool zonder aarzeling het predicaat ‘Hof-’ hadden terugbezorgd. Het Duitse bevel had meteen ook een nieuwe commandant aangesteld: Alois Podhajsky, een Oostenrijker in dienst van de Wehrmacht (sinds de Anschluss). Uit de memoires van deze Podhajski bleek hoe gretig de Wehrmacht, de NSDAP, de SA, de SS en ook het Rijksministerie voor Voedselvoorziening en Landbouw de witte paarden onder hun hoede wilden nemen. Podhajsky beschreef de ‘talloze delegaties’ die de Stallburg platliepen. Ze beklopten alles wat los en vast zat en keken hun ogen uit. De bruinhemden van de SA waren het luidruchtigst, maar een generaal van de Wehrmacht speelde de zaak door naar de hoogste instanties. In Berlijn viel vervolgens de beslissing om de Spaanse Hofrijschool rechtstreeks onder het Opperbevel van het Leger te plaatsen.

In de verordening was een handreiking opgenomen aan de SS van Heinrich Himmler: ‘Het Opperbevel van het Leger is bereid leden van de bereden SS de mogelijkheid te bieden om aan de Spaanse Hofrijschool hun rijkunst te verbeteren.’

Op 4 minuut 50 begon Zrust de hoofdrolspelers een voor een voor te stellen. ‘Favory Africa!’ riep hij - waarop Favory Africa in draf de binnenplaats op kwam en stilhield voor de Duitse inspecteurs. De paarden werden met naam en toenaam genoemd, niet hun berijders! Ik ging rechtop zitten, en verdomd, bij de vierde hengst was het raak: ‘Conversano Savona!’ Het was de oude Savona. Ik zette het beeld stil, spoelde een halve minuut terug en liet hem opnieuw – frame voor frame nu – uit de schaduw van de poort tevoorschijn komen. Het eerste wat je zag was het wit van zijn snuit, dan het zonlicht op zijn manen. Als op een keuring draaide Savona zich een kwartslag, zodat je zijn ruglijn kon bewonderen. Stilstaan weigerde hij; zijn stalknecht kon met moeite voorkomen dat hij aan de sierheesters begon te knabbelen. ‘Conversano Savona is in staat de perfecte levade te tonen’, hoorde ik Zrust zeggen.

Wilhelm Prager had acht schoolhengsten laten opdraven voor een show in wat met afstand gold als de fraaiste manege van Groot-Duitsland. Zijn montage, in het ritme van de marsmuziek, wisselde panorama’s af met details van een hooggeheven been of een oog vol gloed. Conversano Savona liet zien waar hij in uitblonk: de levade ‘tussen de pilaren’. Ik genoot van zijn souplesse. Met de draaiknop waarmee ik hem in slowmotion kon bekijken, had ik een instrument in handen om elke beweging te ontleden in reeksen van opeenvolgende posities. De stroom van de tijd liet zich stilzetten in intervallen van tienden van seconden. Bewust of onbewust, zo kwam het me voor, toonde Prager het paard – in dit geval de veredelde en gedresseerde lipizzaner – als een Übertier.

Ik was van verschillende kanten gewaarschuwd: wilde ik het wedervaren van de lipizzaners in het Derde Rijk begrijpen, dan mocht ik één ding niet over het hoofd zien: dat Adolf Hitler Oostenrijker was. Hij kwam uit Braunau am Inn, een grensdorp weliswaar, maar door en door Oostenrijks. Braunau was de eerste plaats die hij in maart 1938 op zijn Anschluss-zegetocht had aangedaan. Zijn onthaal was overal even uitzinnig, met Wenen – waar hij ooit tot tweemaal toe was afgewezen door de Academie voor Beeldende Kunsten – als de grote finale. Vanaf een balkon van de Hofburg had hij een menigte van honderdduizenden toegesproken.

‘Dit land is Duits’, schetterde hij. En: ‘Ik verwittig de geschiedenis van de intrede van mijn geboorteland in het Duitse Rijk.’

Opera, Burgtheater en Spaanse Hofrijschool, toch zo ongeveer de drievuldigheid van de Oostenrijkse cultuur, waren op slag getransformeerd in Duits pronkbezit. Na afloop had de Führer binnendoor via de paleisgangen naar de Winterrijhal en de Stallburg kunnen lopen. Maar Hitler was geen paardenman. Hij droeg laarzen zonder sporen. Ingewijden beweerden zelfs dat hij bang was voor paarden. Op zijn verjaardag in april 1933 eerde het Duitse paardenblad St. Georg hem met een voorpaginavullend portret onder de kop: ‘De man die Duitsland weer in het zadel hielp’. Maar in datzelfde jaar weigerde hij het springpaard Wotan, drievoudig winnaar van de Coppa d’Oro Mussolini, als geschenk te aanvaarden. In een telegram liet hij weten ‘diep geroerd’ te zijn door het aanbod, maar zijn besluit stond vast:

Immers, ik ben toch al medebezitter van dit paard, en het maakt daarom niet uit aan wie het toebehoort, een verrukkelijk eigendom en daarmee trots van de Duitse natie. - Adolf Hitler

Hitler was vegetariër. Hij hield van honden. Aan het front in de Belgische modder had hij zich ontfermd over Fuchsl, een witte terriër. Later in zijn eigen wereldoorlog had hij een herder, de teef Blondi. Daar stond tegenover dat lipizzaners bij uitstek als ‘Oostenrijks’ te boek stonden. Hij was vol van Körperkultur, en de kunst die zij tentoon spreidden – op het snijvlak van dans en gymnastiek – kwam daar dicht bij in de buurt. De dieren waren wit – en golden als raszuiver.

Tegen het einde van de film ging Oberbereiter Zrust de Duitse delegatie voor naar de majesteitsloge – een rechthoekige ruimte met een open haard en kaarsvormige sierlampjes aan de muur.

‘Mag ik u uitnodigen om hier plaats te nemen, mijne dame en heren.’

In het midden stond een huiskamertafel met een bloemstukje, en rondom vier stoelen. De dame in het gezelschap deed haar handschoenen uit, ze schikte haar donkerblonde haren. Toen ook Zrust ging zitten, versprong het camerastandpunt. Je zag vier bezoekers op de best denkbare rang, in een verder lege Winterrijhal.

Daar kwamen de paarden, drie achter elkaar, in een beheerste galop. ‘Die Gehorsamkeitsprobe!’ kondigde Zrust aan.

In plaats van de arena werden de dieren de krap bemeten loge in gestuurd. Lichtvoetig draaiden ze in een carrousel rond de tafel, zonder iets of iemand aan te raken. De cirkel die ze beschreven was zo klein dat er voor vier paarden geen plaats geweest zou zijn. Na hun rondedans verlieten ze de majesteitsloge weer aan de tegenoverliggende zijde.

De Duitsers begonnen te applaudisseren. Maar Zrust maande ze tot stilte: dit was nog maar de halve proef. Opnieuw deden de drie schimmels hun intrede, ditmaal in de rechtergalop. Aan zijn recht afgeknipte staart zag ik dat Conversano Savona de middelste was. Ritmisch, in vier, vijf galopsprongen per cirkel, draaiden de hengsten nu rechtsom om de tafel heen. Ik zette het beeld stil om Savona beter te kunnen bekijken. Achtentwintig was hij, en nog altijd vol temperament. Zijn hogeschoolcarrière was hij begonnen voor de glorie van de keizer; daarna had hij – van zijn zevende tot zijn zevenentwintigste – opgetreden voor de republiek en nu – op zijn oude dag – betuigde hij haast speels en onwetend zijn gehoorzaamheid aan het Duizendjarig Rijk.

Door de band weer te laten lopen liet ik hem galopperend in de coulissen verdwijnen.

Frank Westerman is schrijver en voormalig correspondent in Moskou van deze krant.