Blijf met je poten van mijn land af

Dat krijg je ervan: in Parijs schreeuwde de voorpagina van Liberation van de week: ‘Touche pas a ma nation!’ – blijf met je poten van mijn land af. Dat verwees direct naar de leus waarmee de Franse antiracismebeweging in de jaren tachtig populair werd, Touche pas a mon pote – blijf van mijn makker af. Opnieuw verklaarden politieke - en mediaberoemdheden zich solidair, maar dit keer met een idee van Frankrijk zelf dat bedreigd wordt. Het is president Sarkozy die de nationale identiteit op de agenda heeft gezet en dat keert zich nu tegen hem. In een speech na rellen van allochtone jongeren in Grenoble maakte hij onlangs onderscheid tussen echte Fransen en Fransen die dat eigenlijk alleen op papier zijn. Nu ligt hij onder vuur wegens het massaal uitzetten van Roma – die toch echt ingezetenen van de Europese Unie zijn.

Wat volgde was even onverkwikkelijk als voorspelbaar: Eurocommissaris van Justitie Reding haalde de Tweede Wereldoorlog en de jodenvervolging erbij, Sarkozy zelf ging op de sentimentele tour – de uitzetting was een daad van menslievendheid, de zigeuners leefden in mensonterende omstandigheden, vandaar dat hij ze met een vergoeding over de grens zette. (Ik heb weinig zigeuners onder mijn kennissen, maar iets zegt me dat ze snel weer terug zullen zijn).

Vergelijkingen met de Tweede Wereldoorlog zijn een machtig wapen – in handen van degenen tegen wie ze gebruikt worden. Wat door hooggestemden bedoeld is als moreel ijkpunt, wordt nu algemeen herkend als een bewijs van morele zelfgenoegzaamheid. Wanneer je iets dubieus van plan bent, of er akelige gedachten op nahoudt, is het hopen op een tegenstander die het fascisme erbij haalt – dan kun je daarna tenminste gewoon je gang gaan.

De Eurocommissaris zag het gebeuren en bood snel haar excuses aan, maar het was al te laat. Sarkozy was van dader slachtoffer geworden – hij toonde zich gekwetst en vernederd. De Roma deden er al niet meer toe. Een ambtenaar van de Europese Commissie probeerde zich na afloop van een topberaad waarbij Sarkozy en Barroso elkaar in de haren vlogen, te hernemen: „We zullen het niet toelaten dat één ongelukkige zin alle aandacht afleidt van de zaak waar het om gaat.”

Ferm gesproken, ik ben alleen bang dat die ongelukkige zin en de zaak waar het om gaat nauw met elkaar verbonden zijn. Van het fascisme hebben we geleerd dat we voor de wet geen onderscheid mogen maken tussen mensen – de Europese Unie is zelf het product van die gedachte. Maar een mens maakt de hele dag onderscheid, dat zit in zijn natuur, en zelfs de minderheden die beschermd moeten worden door die gelijkheidsgedachte blijken in de praktijk stevige gedachten te hebben over andere groepen. Meer en meer wordt dat mooie principe gezien als moedwillige blindheid: iedereen kan immers zien dat sommige Roma onaangepast zijn en overlast veroorzaken. Waarom mag je dat niet benoemen, al is het maar om een oplossing te kunnen bedenken? Wie zich verschuilt achter het gelijkheidsprincipe, kan zichzelf moreel hoogstaand voelen; hij heeft met priemende vinger gewezen naar het kwaad, maar hij heeft geen enkel probleem opgelost.

De schermutseling tussen Sarkozy en Barroso is geen ruzie tussen ego’s, geen oefening in narcisme – zoals het infantiele gekrakeel van BN’ers dat in Nederland voor debat moet doorgaan. Er staat iets groots op het spel. De Portugees Barroso, die opgroeide in een Europese dictatuur, vertegenwoordigt de naoorlogse idealen die bedoeld zijn om onze al te menselijke neigingen in toom te houden. Sarkozy vertegenwoordigt de reactie, de herontdekking van de menselijke natuur onder al die fraaie idealen: onderscheid maken is juist goed, waarom zou je goed zijn voor mensen die niet het goede met jou voorhebben, tolerant zijn voor de intoleranten, meegaand zijn met mensen die niks van jou moeten hebben? Waarom zou ik bovenmenselijk solidair zijn met mensen die al te menselijk op hun eigen belang uit zijn?

Dat is het nieuwe betoog: noem me geen fascist, want ik wil goed zijn voor de mensen die het goed menen. Maar zoals de weldenkenden klakkeloos het fascisme van stal halen om hun morele superioriteit aan te tonen, zo beginnen de ontkenningen aan de andere kant al even gemakzuchtig te klinken. Wanneer in Nederland iemand een zin begint met „ik ben geen racist”, dan kun je er donder op zeggen dat daarna een stroom verbale bagger loskomt waarvan Hans Janmaat een kleur zou krijgen; net zoals op de aanhef „ik ben geen Wilders-fan, allesbehalve” steevast een gepikeerd betoog volgt waarin de islamitische woestijnvolkeren die in ons land zijn neergestreken ons dwingen de Grondwet aan te passen, liever nog vandaag dan morgen. Het benoemen van problemen lijkt steeds meer een voorwendsel om anderen hun menselijkheid te ontzeggen.

Die nieuwe realisten blijken verrassend veel moeite te hebben met de realiteit. Zo is er inmiddels een groep commentatoren en columnisten – de meesten linkse spijtoptanten – die zich in artikel na artikel bezighouden met de benarde toestand van de Nederlandse burger, die zich niet gehoord weet. Iedere vezel van diens woede en onbehagen hebben ze inmiddels tegen het licht gehouden, hun empathie met het „gevoel van verlies” kent geen grenzen, en ondertussen bedoelen ze met de Nederlandse Burger nooit iemand die niet in Nederland geboren is, of zelfs maar zijn de kinderen, of zelfs maar zijn kleinkinderen. De Nederlandse burger is nooit een allochtoon, een allochtoon zal nooit een Nederlandse burger zijn – het komt gewoon niet bij ze op. Maar ze vinden wel dat Wilders te ver gaat, omdat hij onderscheid naar etnische komaf maakt, dat kan echt niet. Ik zou zeggen: Wilders is tenminste niet hypocriet.

Dat onderscheid maakt Sarkozy dus ook. Haastig werden de directe verwijzingen naar de Roma uit de beleidsplannen gestreept, om te doen voorkomen dat het om overlastgevers in het algemeen ging. Maar het taboe dat hij doorbroken heeft, is iets wat ook ons aangaat: het onderscheid tussen echte burgers en niet-echte burgers. Onder de dunne oppervlakte van het debat leeft ook hier de diepgewortelde overtuiging dat er echte Nederlanders en niet-echte Nederlanders zijn. In die zin hebben de organisaties op de voorpagina van de Franse krant gelijk: het idee van de natie staat op het spel. Nu er een kabinet aankomt waarin boosheid, cynisme en verbeten egocentrisme elkaar gaan versterken – een mooie afspiegeling van de samenleving dus – is het tijd de mouwen op te stropen. Het gaat ook om ons land.