Aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid

De term ‘aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid’ (Achterpagina, 13 september) is in sommige vakgebieden niet oubollig, maar hoort tot de standaardterminologie. Ik heb het hier over statistiek, waarin dit begrip veel voorkomt bij het testen van hypothesen. Voor zover ik weet gaat de introductie van deze terminologie niet zo ver terug als in het gewone taalgebruik, zoals het artikel van Ewoud Sanders laat zien. Maar het heeft zeker na de jaren dertig en zestig van de vorige eeuw daadwerkelijke inhoud gekregen, bijvoorbeeld bij uitspraken van forensische wetenschappers en, om actueel te blijven, ook in de klimaatdiscussie.

Men test dan bijvoorbeeld een hypothese, waarbij de kans dat een bepaald resultaat niet tot de populatie (een verzameling gegevens) behoort, wordt berekend op basis van een bepaalde verdeling. In een ‘normale’ verdeling (bijvoorbeeld de lengtes van alle Nederlanders) bevinden zich alle resultaten rondom het gemiddelde plus en minus een aantal malen de spreiding rond dat gemiddelde. Bij een afwijking van tweemaal de spreiding spreekt men van een mogelijke overschrijdingskans van 5 procent (resultaat hoort niet tot populatie), bij driemaal de spreiding wordt die kans al 0,5 procent, en bij een bepaalde mate van afwijking spreekt de deskundige dan uit dat het bepaalde resultaat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid wel of niet tot de populatie behoort.

Marcel Severijnen

Elsloo