Zoek de wonden van het wonder

EPSON scanner image

Jan Siebelink: Het lichaam van Clara. De Bezige Bij, 335 blz. € 19,90

Nadat Jan Siebelink Nederland in 2005 veroverd had met Knielen op een bed violen werd hem geregeld de vraag gesteld of hij na deze definitieve verwerking van zijn jeugd nog wel stof over had voor volgende romans. Het antwoord was nee. „Het oeuvre is rond. Alles wat erbij komt, is een soort appendix.” Om eraan toe te voegen dat hij bang was voor de leegte waarin het niet-schrijven hem zou storten.

Nog geen drie jaar later verscheen Suezkade over een leraar aan een Haags gymnasium die geplaagd wordt door angstaanvallen. Inderdaad was deze matige roman een appendix bij Knielen op een bed violen, zoals ook zijn nieuwe roman Het lichaam van Clara dat is. Alles wat hij voor Knielen schreef, te beginnen met zijn debuut in 1975, was een prelude op deze finale confrontatie met zichzelf. Sinds hij begin jaren zeventig de kerk verliet, probeert Siebelink, zoon van een godsdienstwaanzinnige tuinder uit Velp, de leegte van een wereld zonder God te vullen met literatuur.

In Het lichaam van Clara voert Siebelink de krankzinnige 62-jarige Haagse Clara Hofstede op, die van God en iedereen verlaten is. Ze wordt gekweld door jeugdherinneringen aan haar zielige ouders, heeft last van wanen en stemmen in haar hoofd, lijdt aan dwangneuroses en is al sinds haar puberteit verslaafd aan automutilatie. Met scherpe voorwerpen kerft ze wonden in haar handen en armen, om de leegte niet te voelen en zichzelf voor haar zonden te straffen. In een roomse context zou men zeggen dat zij op haar lichaam de stigmata, tekenen van Gods genade, aanbrengt,

Clara is goddeloos opgevoed. Ondanks dwangmatig gebed en verwoede pogingen haar autobiografie te schrijven, lukt het haar niet door te dringen in de diepere lagen van haar existentie. Haar tragiek is dat zij noch God noch de literatuur kan inzetten om haar leven betekenis te geven, wat de oorzaak is van haar waanzin.

Grofweg schrijft Siebelink zijn autobiografische romans over twee onderwerpen: zijn jeugd als christelijke tuinderszoon in Velp en zijn bestaan als leraar behept met duistere fantasieën over vrouwelijke leerlingen en bordeelavonturen. In het laatste geval is de hoofdpersoon vaak een leraar Frans aan een Haags gymnasium. Siebelink was lange tijd leraar Frans, weliswaar niet in Den Haag, maar in Ede. De Haagse zelfkant heeft hij mogelijk verkend in zijn Leidse studententijd, waarin hij ook zijn fascinatie voor Franse decadente schrijvers opdeed. Den Haag staat bij Siebelink gelijk aan Sodom en Gomorra. Zo speelt zijn uit 2001 daterende Engelen van het duister zich af in een tot bordeel verbouwde Haagse rk-meisjesschool. Twee broers, zoons van een godsdienstwaanzinnige tuinder uit Velp, verklaren in deze roman hun seksuele aberraties uit hun streng-christelijke opvoeding en de zucht naar uitverkorenheid waarin hun bevindelijke vader zijn bevrediging zocht. Eén van de broers krijgt een leerling zo ver dat ze zich voor hem prostitueert, een fantasie die Siebelink lijkt te obsederen en waarmee hij ook in Het lichaam van Clara weer op de proppen komt.

In feite is dit boek een compilatie van Siebelinks voorgaande Haagse romans, inclusief zijn op Eline Vere geïnspireerde teleurstellende Vera uit 1997. Ook de voormalige rk-meisjesschool komt er weer in voor. Nu niet als bordeel maar als cultureel centrum waar Oscar Sprenger, beroemd schrijver van een prijswinnende roman, een lezing komt geven over zijn nieuwe boek Clara. Op de cover van deze roman staat het schilderij Betty van Gerhard Richter, waarin Clara Hofstede zichzelf meent te herkennen. In de hele roman herkent ze trouwens zichzelf. De schrijver, met wie ze persoonlijk contact wil, zoals een bevindelijke protestant de relatie met God zoekt of een katholiek met het Corpus Christi, beschouwt ze als haar God. Hij, de schrijver, heeft haar immers gezien! Ze masturbeert er op los wanneer ze aan hem denkt, snijdt wellustig in haar zondige vlees en vertrouwt hem in gedachten haar jeugdherinneringen toe: aan het slechte huwelijk van haar goddeloze ouders, aan haar dwangmatig bidden als schoolmeisje dat de hoer speelde voor haar gymleraar, aan haar studententijd in Leiden die eindigde met een openbare zelfkastijding.

De schrijver Oscar Sprenger heeft met Clara slechts een klassieke naturalistische roman willen schrijven, een moderne versie van Eline Vere, waarin iedereen zich zou kunnen herkennen. Hij kan het niet helpen dat de psychisch gestoorde Clara Hofstede denkt dat hij de God is die haar ziet en zich na lezing van de roman net zo zelfdestructief gaat gedragen als Hans Sievez nadat God hem heeft uitverkoren.

‘Ik ben Clara’, zegt schrijver Oscar Sprenger, met een knipoog naar Flaubert (‘Madame Bovary c’est moi’), naar Couperus en naar Jan Siebelink, die hetzelfde zei over zijn romanpersonage Hans Sievez. In Knielen voltrok Siebelink een moreel zelfonderzoek naar zijn identificatie met de vader. Hij sneed daarmee diep in eigen vlees, wat de roman zo geloofwaardig maakt. Maar in Het lichaam van Clara blijft de hoofdpersoon, ondanks al het bloed dat zij aan zichzelf vergiet, een bloedeloos schepsel, een medisch geval, dat zich door een therapeut laat uitleggen wat er met haar aan de hand is: angst voor de leegte. Het lichaam van Clara vertoont geen wonden van het wonder, maar van een bedroevend oppervlakkige zelftherapie.

De stijl is navenant. Monotone zinsconstructies – Clara zit … Clara loopt… Clara bad… Clara dacht…, Clara luisterde… – zijn mogelijk bedoeld om de suggestie te wekken van een mystiek gebedsritueel, als een vorm van ‘leegmaken’ van de tekst, maar de leegte waarin Clara ten onder gaat, komt ons niet naderbij.

Siebelink heeft Het lichaam van Clara opgedragen aan ‘Elise, heldin van mijn volgende roman’. Er dreigt dus een vervolg. ‘L’absence est le plus grand de tous les maux’, citeert de schrijver een spreuk van De la Fontaine. Maar als het creatieve proces stokt, is afwezigheid – leegte – misschien wel te verkiezen boven wezenloze litanieën over de angst ervoor.