Wild en dronken, mild en nuchter

Het leven van de componist Robert Schumann, die 200 jaar geleden werd geboren, eindigde in een kliniek in Bonn. Is er een direct verband tussen zijn muziek en de psychische spanningen waaronder hij leed?

Miniature of Robert SCHUMANN, 1810-56 German composer, as a boy -- ARTIST unknown Photo Credit: [ The Art Archive / Schumann birthplace / Alfredo Dagli Orti ] The Picture Desk

Peter Gülke: Robert Schumann. Glück und Elend der Romantik. Zsolnay, 270 blz. €21,-

Martin Geck: Robert Schumann. Mensch und Musiker der Romantik. Siedler, 320 blz. €23,-

‘Boekwinkels hebben planken vol boeken over Clara staan’, mopperde componist Heinz Holliger in Die Zeit, ter gelegenheid van dit Schumannjaar, waarin het 200ste geboortejaar van de componist wordt herdacht. ‘En ze hebben misschien twee boeken over Robert, en daarvan is er één ook nog slecht.’ Holliger overdrijft, maar hij heeft een punt. Boeken over Clara Schumann, de grootste pianiste van haar generatie, en over het complexe huwelijk tussen Robert en Clara Schumann liggen veel beter in de markt dan studies naar de ondoorgrondelijke en ongrijpbare Robert Schumann zelf.

Twee Duitse auteurs doen wat aan deze leemte, in twee uitstekende boeken die elkaar goed aanvullen. Martin Geck is in Robert Schumann. Mensch und Musiker der Romantik vooral een deskundig en zeer communicatief popularisator, in de beste zin van het woord, Peter Gülke toont zich in Robert Schumann. Glück und Elend der Romantik. meer een bedachtzaam essayist, die zijn onderwerp behoedzaam omcirkelt. Dat levert hier en daar een onheldere passage op, maar ook vaak een plotseling oplichtend, fraai geformuleerd inzicht. Beide boeken zijn waardevol, maar Gülke vormt een klasse apart, als een van de beste muziekschrijvers die Duitsland kent.

De waarde van deze boeken schuilt allereerst in wat er niet in staat, of wat terughoudend en met de grootst mogelijke prudentie wordt aangeduid. Dat geldt voor het huwelijk van de Schumanns, dat in beide boeken uiteraard een rol speelt, maar waar niet de meeste aandacht naar uitgaat. Geck onthoudt zich volledig van een oordeel over de kwaliteit van het huwelijk, Gülke permitteert zich de voorzichtige constatering dat er in de loop van de jaren een zekere vervreemding is ontstaan tussen de echtelieden. Diezelfde terughoudendheid leggen deze auteurs aan de dag als het gaat om Schumanns precaire mentale gesteldheid.

Het droeve einde van de componist in de psychiatrische kliniek Endenich bij Bonn – nadat hij zich op 27 februari 1854 in de Rijn had laten zakken in een niet bijster doortastende zelfmoordpoging – krijgt vaak buitensporig veel aandacht. Een direct verband tussen zijn muziek en de psychische spanningen waaronder Schumann leed – niet alleen in de laatste fase, maar in zijn hele leven – is nooit overtuigend aangetoond. Integendeel, Gülke beschouwt de muziek als een ‘toevluchtsoord’ en een ‘enclave van gezondheid in een omgeving van ziekte’ in Schumanns bestaan.

Huwelijksleven en geestesziekte zijn zo teruggebracht tot bescheidener proporties, wat blijft er dan over? Een ongehoord veelzijdige en productieve componist, die in de loop van de muziekgeschiedenis lange tijd is misverstaan, omdat zijn werk steeds tussen wal en schip viel. Schumanns muziek werd vermalen door de hevige strijd die in de tweede helft van de 19de eeuw woedde tussen de Brahms-aanhangers die een conservatieve, formalistische muziekopvatting huldigden, en de nieuwlichters, aangevoerd door Liszt en Wagner, die in hun muziek de inhoud (of het programma) boven de vorm stelde. Die dogmatische tweedeling tussen vorm en inhoud heeft in het daadwerkelijke componeren nooit op die manier bestaan, dat onderstreept vooral Geck, en is voor Schumanns muziek hoe dan ook onbruikbaar. ‘In mijn muziek willen de musicus en de mens zich altijd gelijktijdig uitdrukken’, schreef hijzelf. Een ander esthetisch begrip dekt de lading bij Schumann veel beter: ‘het poëtische idee’. Daarin komen muzikale en ‘buiten-muzikale’ inspiratie als het ware samen; het ‘poëtische idee’ verbindt wat de tweedeling tussen ‘programmatische’ en ‘absolute’ muziek wil scheiden.

Vóór Schumann is er geen componist geweest die zich zozeer door de literatuur heeft laten inspireren als hij. De van muziek doordrenkte romans van Jean Paul (ook favoriet van Gustav Mahler) hebben hem gevormd. ‘Ik vraag me vaak af wat er van me zou zijn geworden als ik Jean Paul niet had gekend’, schreef Schumann als student. In Flegeljahre, zijn lijfboek, vond Schumann de prototypen voor zijn twee beroemde alter ego’s Florestan (‘de wilde’) en Eusebius (‘de milde’).

Die gespletenheid in meervoudige karakters, waarbij de grens tussen fictie en werkelijkheid, tussen kunst en leven vervaagt, is wat Schumann bij uitstek ‘modern’ maakt. Geck typeert hem als de eerste grote componist van wie de muziek niet meer onder één overkoepelende ‘vertelling’ valt te brengen, zoals bij Schubert en Beethoven nog het geval was. Schumann speelt voordurend met zijn vermommingen en onthullingen, breekt af en bouwt op, ook dat is onderdeel van zijn ‘poëtische’ programma.

De betekenis daarvan overstijgt het louter persoonlijke. De wending naar de literatuur heeft ook muziekhistorische betekenis. Net als Schubert en later Brahms stond Schumann voor de vraag: hoe verder na Beethoven? Wat valt er nog te zeggen, in de schaduw van de kolos?

Het antwoord vond hij in een nieuwe kruisbestuiving tussen literatuur en muziek – zonder de muziek ondergeschikt te maken aan de literatuur. Gülke spreekt van ‘de wedergeboorte van de muziek uit de geest van de poëzie’.

De ‘wilde’ en de ‘milde’ Schumann, ze moeten elkaar ergens ontmoeten, maar waar? Hij was een zwijgzaam type, een ondoorgrondelijk karakter, hoe openhartig hij ook kon zijn wanneer hij de pen oppakte. Schumann was ook een denker – bij al zijn emotionele openhartigheid klinkt ook altijd reflectie door. Het beeld van de bezetene, die in ongekend tempo componeerde – ‘Ach, ik kan niet anders, ik zing me nog dood als een nachtegaal’ – is niet onjuist, maar eenzijdig; Schumann analyseerde tegelijkertijd voortdurend. ‘Niet op verschillende momenten, maar in hetzelfde ogenblik dronken en nuchter zijn, dat is het geheim van ware poëzie.’

Schumanns zwenken tussen fictie en werkelijkheid, tussen verbeelding en persoonlijke bekentenis, maakt een klassieke biografie, die alle puzzelstukjes in elkaar wil schuiven, een hachelijke zaak. Als hij inderdaad de eerste componist is, die blijkt geeft van een gebroken en gefragmenteerd ‘modern’ zelfbewustzijn, dan kan zijn biograaf hem niet meer tot een ‘round character’ omvormen. Daarom is vooral de essayistische aanpak van Gülke zo geslaagd, maar ook Geck omcirkelt zijn onderwerp meer dan in een klassieke biografie gebruikelijk is en maakt beschouwende uitstapjes. Nu is het wachten op de biografie van Florestan en Eusebius.