Wat zal die lente nieuw zijn

En als het nu eens waar zou zijn, dat het boek zal verdwijnen. Niet het schrijven en het lezen, maar het boek, als ding.

Het kan best. Jarenlang lachten we erom, ach wat, wie wil er nu met een computer in bed liggen lezen – maar dat probleem is overwonnen. De nieuwe e-readers zijn handzaam, ze zijn makkelijk vast te houden en goed te lezen, en ze bieden ongelooflijk veel mogelijkheden. Niet alleen aan de lezer, die een onwaarschijnlijk grote bibliotheek in een onwaarschijnlijk klein apparaat kan opslaan (gesteld dat er digitaal boeken gaan verschijnen die je ook werkelijk zou willen lezen), maar ook aan de schrijver. Een dichter als Tonnus Oosterhoff, die experimenteert met verschijnende en verdwijnende mogelijke regels, waardoor het gedicht geen vaste vorm heeft, is als het ware meteen geknipt voor de e-reader. Als iemand schrijft over een bepaald schilderij, een filmscène of een muziekstuk zou je die met een druk op een toegevoegde link kunnen bekijken of beluisteren.

Dure plaatjesboeken zijn digitaal goedkoop te produceren.

Iets opzoeken in een naslagwerk of een informatief boek is een fluitje van een cent met de zoekfunctie.

Je kunt digitale stickertjes plakken of viltstiftstrepen zetten bij de passages die je treffen, zonder dat je zoiets moois en kostbaars als een boek vernielt. Bibliografische verwijzingen zijn zó te volgen als bibliotheken eenmaal gedigitaliseerd zijn. Behalve voor een enkele onderzoeker is het voor niemand meer nodig om echte boeken in handen te hebben.

Echte boeken zullen niet meer gemaakt worden.

Ik keek met die gedachte in het hoofd naar de boekenkasten. Stél nu dat het waar is, en onmogelijk is het helemaal niet, hoe ga je dan naar boekenkasten kijken? We herinneren ons allemaal al die mensen die, toen de cd kwam, zeiden dat ze nóóit hun platen weg zouden doen. Nooit. Sommigen hebben ze inderdaad niet weggedaan. Is het erg dat die platen verdwenen zijn? Niet zo.

Maar het boek! Dat is wat anders. In de middeleeuwen hadden ze geen grammofoonplaten, maar wel boeken. De kostbare heel oude manuscripten, de perkamentrollen van de Dode Zee, die verbinden ons direct met de mensen toen. Ook zij leefden met geschreven woorden die zorgvuldig bewaard werden en gelezen of voorgelezen. Het is niet anders denkbaar, de tijd van voor de geschreven bronnen rekenen we zelfs niet eens echt tot de geschiedenis: prehistorie zeggen we ijskoud. Toen schreven ze nog niet.

Overdrijf toch niet zo. Er zal nog steeds geschreven en gelezen worden.

Natuurlijk. Maar een boek is veel meer dan een tekst die je kunt lezen. Iedereen heeft wel eens iemand over de vloer gehad die naar je boekenkasten kijkt en dan vraagt: Heeft u dat nu allemaal gelezen? Nee, zeg je dan, maar het meeste wel. En soms denk je er zelf achteraan: het meeste zal ik nooit meer opnieuw lezen. Als je een keuze uit je bibliotheek moest maken, met boeken die je écht in huis wilde hebben vanwege hun geregeld door jou gelezen en te lezen inhoud, dan blijven er heus geen duizenden staan, vijfhonderd is dan misschien een redelijke hoeveelheid. Het overgrote deel van de boeken komt nadat het eenmaal gelezen is, áls het al een keer gelezen is, nooit meer uit de kast.

Dat wil niet zeggen dat ze net zo goed weg kunnen. Je hebt sommige boeken omdat ze mooi zijn. Een schitterend versierde band, een bijzondere uitgave, een eerste druk van een boek dat je lief is, een omslag van een kunstenaar, het zijn allemaal dingen die boeken begerenswaardig maken. En ze horen tot je vertrouwde omgeving – de meeste mensen kennen hun eigen boekenkast niet alleen omdat ze de boeken gelezen hebben, maar ook omdat ze de verschijningsvormen van de boeken kennen en het geruststellend vinden om die te zien. Denk eens hoeveel plezier het je doet veel vertrouwde ruggetjes in andermans boekenkast te zien. Zo iemand is al bijna je vriend.

Boeken zijn ook een vorm van uiterlijk vertoon. We denken van alles over elkaar op grond van onze boekenkasten, we kreunen dat we niet weten waar we de boeken moeten laten – eenzelfde soort kreunen als het drukdrukdruk. Het is chic om veel boeken te hebben.

En dan is de boekenkast ook nog eens een vorm van autobiografische geschiedenis: wat je daarin ziet, dat heeft je gevormd, dat bén je in een bepaald opzicht. Of dat zou je willen je zijn.

Als er geen boeken meer gemaakt worden, of vrijwel niet meer, wordt de boekenkast langzaam maar zeker iets archaïsch. Een stilstaand ding. Hij zal veranderen van een teken van nieuwsgierigheid en belezenheid in een teken van stoffigheid. Misschien zullen boekenkasten jongere mensen, die er niet meer mee zijn opgegroeid, bedrukken.

De boeken op de planken kijken me aan. Ik neem even de derde druk van Gorters Mei (de eerste druk bezit ik niet) in handen, gewoon omdat het zo’n fijn boek is. ,,Amsterdam, W. Versluys. 1900” staat er op de titelpagina. En op de eerste bladzijde, die ooit nog door iemand is opengesneden bij de eerste lezing, begint, in een kleine letter en een ouderwetse typografie, dit uiterst nieuwe revolutionaire gedicht: ,,Een nieuwe lente en een nieuw geluid.”

Die woorden zijn nog steeds goed te gebruiken, ook in dit verband. Wat zal die lente nieuw zijn, die met die digitale boeken en geleidelijk aan zonder de materiële.

Het was alleen maar een gedachtenexperiment. Zorgvuldig zet ik Mei terug op de plank.