Vult wilgen met oude verliezen

In de gedichten van Piet Gerbrandy zit het plezier in het machtsvertoon waarmee hij de taal naar zijn hand dwingt.

Fitness is maar een lelijk en plat woord voor een activiteit die je ook anders kunt omschrijven, volgens Piet Gerbrandy: ‘Betrachten wij spiertucht in klinkende zalen om vlees / om kolkvocht in desperaat vlees / mores en strikte discretie af te persen’. In dit beeld komen dampend zweet en de psychologie van de zelf opgelegde lijfstraf fraai samen.

Het voorbeeld, uit het gedicht ‘Leest’ in zijn nieuwe bundel Morgen ben ik vrij, typeert zijn stijl. De dichter maakt zijn zinnen zo beknopt en geladen mogelijk. Gerbrandy is een robuust krachtmens in de poëzie.

Hij heeft een grote liefde voor plastische metaforen en zelfbedachte samenvoegingen, van het type ‘spiertucht’. In ‘Leest’ mengt de classicus ze met archaïsche termen. Behalve ‘omvaamden wij’ en ‘ontvlood ons’ spreekt hij over ‘uw billen een kruiwagen klei / van glaswol de sneer van uw borsten’.

Het gedicht ‘Leest’ portretteert een vrouw die aan mannen ontsnapt. De onbereikbare vrouw is een terugkerende figuur in deze bundel. Geregeld is er een suggestie van slapeloosheid en afscheid, van aanbidding, wanhoop en berusting. Heel mooi wordt de ontheemde man geschetst in de eerste regels van ‘Rug’ – als een eenzaam dier in een mistig donker:

Voorjaar veegt zijn luchtruim open

vult wilgen met oude verliezen.

Wat schiet een woerd met waken op

in schimmen wekkende nachten?

Ik houd nu je gegaan je laken koud.

Gerbrandy heeft talent voor zulke passages. Van de natuurbeschrijving in de eerste regels gaat hij naar een gedachte over een mannetjeseend die je ook op een mens kunt toepassen, en dan naar een concrete mededeling, waar hij nog wel het werkwoord ‘bent’ weglaat – om de taal onder druk te houden. Die afwisselingen en overgangen legt hij zijn poëzie voortdurend op: van gebiedende naar vragende wijs, van beeld naar directe rede, van concreet naar abstraherend.

Over zijn werkwijze lijkt hij zich uit te laten in de vier prozastukken, scharnierpunten in de reeksen gedichten – een opbouw die hij al hanteerde in zijn vorige bundel Vriendinnen (2008). Daar waren alle titels van de gedichten vrouwennamen, dit keer zijn het lichaamsdelen, in brede zin: van wreef tot huig, maar ook van blos tot ziel. In het vierde prozastuk duiken de lichaamsdelen op in glazen potten met onleesbare etiketten. Als het over die potten gaat, lijkt het wel een betoogje over gedichten schrijven: ‘Wie een glazen pot kiest denkt dat wat erin gaat zichtbaar moet blijven voor de wereld erbuiten. Zichtbaarheid is een alom gewaarderde eigenschap.’ Over de potten met lichaamsdelen: ‘De inhoud van de potten is niet goed zichtbaar. Maar niet onkenbaar.’ Het is alsof de dichter zijn poëzie verdedigt: als de inhoud op het oog niet glashelder is, dan zijn er andere manieren om er kennis van te nemen.

Op het punt van zichtbaarheid / begrijpelijkheid van zijn poëzie heeft Gerbrandy met deze bundel wel een stap gezet. De taal is geconcentreerder en er is minder samenhang en verhaal in de gedichten dan in eerder werk. Soms bekroop me het gevoel dat de dichter te veel lucht uit zijn gedichten perst.

Bij het gedicht ‘Strot’ kom je niet eenvoudig langs de eerste regel: ‘Behepte wat vuren uw vezels toch angst en ontzetting.’ Het is even zoeken naar het ritme: behepte is geen adjectief maar een aanspreekvorm, waar je een komma achter moet voelen, vuren is het werkwoord en de vezels de actieve partij. Het laat zich omzetten tot iets als: arme, wat scheiden je poriën toch angst en ontzetting af.

Het is als met het openen van onwrikbaar ogende dozen: als je een beginnetje hebt, is het zo gepiept. De precieze duiding van de tweede zin, ‘Uw muren weren stormen die nog rusten.’ kan dan ook wachten. Bij globale lezing lijkt het gedicht aan te haken bij die eerste zin. Er is sprake van overdreven angst, in een leven dat niet zo kwaad is, in het licht van groter verdriet op de wereld: ‘U naaien geen vijanden achteloos en lachend.’ Lichtvoetiger klinkt die wijsheid door in de herhaalde regel: ‘De meeste van uw organen lijken intact.’ Uit de woorden ‘de meeste’ en ‘lijken’ spreekt een sardonische humor, die ook andere zinnen ondermijnt: ‘Uw vrienden zenden vriendelijke missiven.’

Het is aangenaam als poëzie je sluiert in nevels van begrip en onbegrip, waarbij je net genoeg snapt om niet alles te willen snappen. Maar in deze bundel komt Gerbrandy op een punt dat bij eerste en tweede lezing alleen mijn ogen contact maken met het gedicht. Mijn naar begrip snakkend brein sukkelde er achter aan.

Meerdere keren trok het gedicht ‘Heup’ blind aan mij voorbij, door zinnen als: ‘Hoe moe de eerste dame hoe vaal haar vacht hoe knikkend/ haar knieën haar verticaal bekken dat smacht naar hoger leger’ en ‘Vuistbijl grotbeeld grafgift in verschieten./ Jargon en concepten in schoot van woordblinde goden.’ Ik zag het niet.

Tot ik het ‘eerste’ bij de dame knoopte aan de regel ‘Staart uit over latere velden’, en zag dat hier een somber toekomstvisioen van een eerste mens werd geschetst. De hutspot van frases kreeg betekenis: ‘Huivert om huizen van leem labyrinten van dolers / langs hebdingwinkels liezen geschoren in etalages.’ Hier wordt gejammerd om vinexwijken en consumentisme. De formulering blijkt interessanter dan de aard van de cultuurkritiek. Het plezier bij deze poëzie zit dan ook in het machtsvertoon waarmee de dichter de taal naar zijn hand dwingt. Want wat er rest na een intuïtieve ‘vertaling’ kan wel eens schraal zijn. Het maakt het lezen van de nieuwe Gerbrandy tot een dubbelzinnig genoegen.

Rectificaties / gerectificeerd

Correcties & aanvullingen

Boven de recensie van de nieuwe gedichten van Piet Gerbrandy (Vult wilgen met oude verliezen, Boeken 17 september, pagina 11) ontbrak de boekinformatie. Morgen ben ik vrij telt 84 blz, is uitgegeven door Contact en kost € 18,95.