Vondstenaars

Het gaat niet goed met de kunstfabriek van Damien Hirst. Twee jaar geleden bracht een veiling van zijn werk 270 miljoen dollar op, een record voor een levend kunstenaar. In 2009 was de opbrengst geslonken met 93 procent, tot 19 miljoen, en voor dit jaar ziet het er nog treuriger uit. The Economist (11 september) wijdt er twee pagina’s aan, geïllustreerd met twee sombere grafiekjes. Na de piek van 2008 bijna loodrecht dalende lijnen. Het weekblad beschuldigt Hirst ervan dat hij rijk is geworden ten koste van zijn investeerders en besluit met een goede raad. Hij moet weer een fatsoenlijke zakenman worden, daar komt het op neer.

Twee jaar geleden heeft het Rijksmuseum zijn For the Love of God geëxposeerd, het platina afgietsel van een bijna driehonderd jaar oude mannenschedel, ingelegd met 8.601 diamanten. Ik ben niet gaan kijken, ik vond dat ik genoeg van zijn oeuvre had gezien en hij moet wel iets heel raars verzinnen voor ik mijn mening herzie.

Lang geleden, nog in de vorige eeuw, was in het Brooklyn Museum een tentoonstelling van Brit Art, een groep jonge kunstenaars onder wie Hirst. Bij de ingang stond een bordje met een waarschuwing. Mensen met een zwakke maag kregen de raad niet verder te gaan. In de eerste zaal stond je meteen oog in oog met een geweldige dode haai in een bak met sterk water. Nu beschouwd als de Nachtwacht van Hirst, bij wijze van spreken. Er waren nog wat kadavers van kleiner formaat, en toen kwam ik bij de Insectocutor, een grote kist met zespotig vliegend gedierte. In die kist waren draden gespannen, die onder stroom stonden. Vloog een vlieg tegen zo’n draad, dan werd hij geëlektrocuteerd. Het deed me denken aan de ouderwetse vliegenvanger, een spiraalvormige reep papier, besmeerd met giftige kleefstof. Als een insect erop ging zitten dan kwam het niet meer los en was gedoemd, langzaam te stikken. Goed beschouwd ook een kunstwerk, pre-Hirst. Ik ben van mening dat uit welke artistieke overwegingen dan ook nooit een levend wezen, hoe nederig ook, mag worden gedood. Schep eerst zelf leven, dan heb je recht van spreken, misschien.

Sinds die kennismaking in Brooklyn heb ik de ontwikkeling van Hirst gevolgd, zijn vitrines met chirurgisch gereedschap bekeken, dertig onthoofde schapen bezichtigd, nog veel meer kadavers. Hirst werd beroemder en beroemder en onvermijdelijk ook steeds rijker. Het geheim van zijn kunst, dacht ik, zit in een unieke combinatie van necrofilie en kwantiteit, in twee opzichten: omvang en aantal. Hoe groter en hoe meer dooie beesten, hoe beter. Hij heeft een talent, maar niet in de gebruikelijke zin van het woord. Zijn talent bestaat uit het doen van vondsten. De eerste die dat heeft gedaan is Marcel Duchamp, toen hij een pisbak signeerde. Dat was een revolutie. De eerste vondst. Na hem zijn lange stoeten vondstenaars gekomen. Allemaal met de bedoeling, het publiek op een of andere manier te shockeren, op het verkeerde been te zetten, zoals we hier zeggen.

Hirst is nu in gesprek met de Tate Gallery over een retrospectieve tentoonstelling die moet samenvallen met de Olympische Spelen, in 2012. Je kunt zeggen wat je wilt, maar op een of andere manier vertegenwoordigt hij de tijdgeest.