Repeteren is schilderen met tekst en acteurs

Er zijn toneelregisseurs die het repetitielokaal hun ‘atelier’ noemen en de spelers het ‘palet’. Dat zijn sprekende vergelijkingen. Net zoals schilders en beeldend kunstenaars zoeken regisseurs en spelers de beslotenheid van een afgezonderde ruimte op. Een repetitieperiode neemt gemiddeld zes tot acht weken in beslag. Hoewel een regisseur veel voorwerk kan verrichten, zoals analyse van de tekst, gesprekken met ontwerpers van decor, licht en kostuums, komt de werkelijke voorstelling tot stand in het repetitielokaal.

We moeten ons daar geen romantisch idee van vormen. Vaak zijn het saaie ruimtes achterin een schouwburg. Omdat repeteren op het podium te duur is, wijken veel gezelschappen uit naar buitenwijken of naar schouwburgen in de provincie. In de achteraflokalen van de theaters in Roosendaal en Zaandam is het druk.

De muren zijn van kale baksteen, de gordijnen zijn gesloten en het daglicht komt door hooggeplaatste ramen sporadisch binnen. De regisseur zit achter een soort leraarstafel, koffiebekertjes en flessen water binnen handbereik. Tassen en jassen liggen slordig over de grond of over stoelen. Midden op de tafel ligt het tekstboek.

In de rijkgeschakeerde tentoonstelling Backstage, gemaakt door het Theater Instituut Nederland, is een repetitielokaal nagebouwd. De tentoonstelling is te zien in de Amsterdamse Stadsschouwburg en reist daarna langs de schouwburgen van Nederland. Het lokaal is niet meer dan een kleine, witte doos met stoelen en tafeltjes. Bezoekers kunnen er een toneelstukje opvoeren, tekst en regieaanwijzingen worden op een video aangegeven. Een camera neemt het op, zodat de spelers zichzelf terug kunnen zien. Door kijksleuven kunnen andere bezoekers het geheime, intieme proces gadeslaan.

De expositie laat het hele ontstaansproces zien van idee tot première. Regisseur Ivo van Hove van Toneelgroep Amsterdam verklaart openlijk zijn liefde voor het repetitielokaal. Van Hove zegt in een video dat hij „nooit angst heeft voor het repetitielokaal”. Er zijn volgens hem regisseurs die dat wel hebben, een slecht teken. Van Hove noemt zichzelf „een prikker”, dat betekent dat hij het spel onderbreekt, aanwijzingen geeft, formuleert wat goed en minder goed is, de spelers activeert en inspireert. Toneelgroep Amsterdam repeteert in een kantoorpand aan de Prinsengracht; kale muren, verwarmingsbuizen. De acteurs zijn in hun dagelijkse kloffie. Geen decor. Licht uit tl-buizen.

De vergelijking met het schildersatelier klopt. De regisseur neemt af en toe afstand, kijkt naar het geheel, brengt een detail aan. In samenspel met de acteurs ontstaat de voorstelling, zoals een schilder lijn na lijn op het doek aanbrengt. Als buitenstaander is het een fascinerend proces. Hoe dagelijks en saai het lokaal ook oogt, de voorstelling is al mee te beleven. In dit regisseursatelier bestaat slechts die ene werkelijkheid, die van het theater. Net zoals voor de schilder slechts die ene werkelijkheid bestaat: de vormen, kleuren en lijnen op het doek.

Backstage. Theatermaken van idee tot première. Inl: backstage.nl

Rectificaties / gerectificeerd

Correcties & aanvullingen

De website van de tentoonstelling ‘Backstage. Van idee tot première’ door het Nederlands Theater Instituut is www.backstageontour.nl