Premier in spe handelt ongrondwettig

Politici tellen simpelweg de fractiezetels op om tot een kabinet te komen, maar ze lijken te vergeten dat ze ook de minderheid moeten dienen en respecteren, stelt Bas de Gaay Fortman.

Een belangrijk uitgangspunt in een democratie is dat het parlement beslist bij meerderheid. Sinds kort manifesteert die meerderheid in de Nederlandse Staten-Generaal zich vrijwel onmiddellijk na verkiezingen voor de Tweede Kamer in een ‘links-rechts’-kader.

Zo werd in 2006 meteen een motie ingediend om de uitzending van asielzoekers die in aanmerking kwamen voor een door ‘links’ bepleit generaal pardon op te schorten. Dat voorstel werd aanvaard met de 76 stemmen van PvdA, SP, GroenLinks, ChristenUnie, D66 en de Partij voor de Dieren. CDA, VVD, PVV en SGP waren blijven steken op 74 zetels. Na de dit jaar gehouden verkiezingen lag deze verhouding op 72-78 en werd meteen gesproken van een ‘rechtse meerderheid’. Opmerkelijk is intussen dat de links-rechts-terminologie die in de tijd van het kabinet-Den Uyl (1973-1977) vooral van ‘links’ kwam, nu met name door ‘rechts’ wordt gebezigd – al heeft CDA-fractievoorzitter Maxime Verhagen met de hete adem van een congres in de nek bedacht dat het CDA eigenlijk een ‘middenpartij’ is.

Het tweede uitgangspunt is dat de minderheid zich bij de meerderheidsbesluiten neerlegt. Dat vraagt dus acceptatie van het gezag van de meerderheid, hoewel dat in feite op niet meer is gebaseerd dan hun aantal.

Vanzelfsprekend veronderstelt dit dat de regels van het democratisch spel volledig zijn gevolgd. Het simpelweg optellen van fractiezetels bedreigt de democratische legitimatie wanneer er sprake is van openlijke dissidentie. Niet ondenkbaar is dat alsnog de twee SGP’ers tevoorschijn komen zonder dat met hen enig formeel gesprek heeft plaats gevonden. Vóór de verschijning van een nieuw kabinet op het bordes van Huis ten Bosch zal er dan ook een moment moeten zijn waarop de verantwoordelijke formateur zijn parlementaire meerderheid onomstotelijk aantoont. In zijn bekende boek Democracy in America (1835) waarschuwt Alexis de Tocqueville tegen ‘de tirannie van de meerderheid’ die alleen dan kan worden vermeden wanneer er beperkingen liggen in wetten én manieren.

Het derde uitgangspunt hangt hiermee samen: de meerderheid richt zich op het geheel en respecteert en beschermt minderheden. In het Britse en Amerikaanse politieke stelsel is dit gemeengoed: een op basis van de meeste stemmen gekozen ambtsdrager moet zijn hele ‘constituency’ vertegenwoordigen. De Amerikaanse oud-president George W. Bush en zijn kabinet kregen dan ook zware kritiek te verduren vanwege de neiging zich uitsluitend tot het ‘eigen’ rechtse publiek te richten.

In Nederland staat dit derde beginsel krachtig geformuleerd in artikel 50 van de Grondwet: „De Staten-Generaal vertegenwoordigen het gehele Nederlandse volk.” Het jubelende commentaar van VVD-leider Mark Rutte bij de concept regeer- en gedoogakkoorden – „rechts Nederland likt er zijn vingers bij af” – is dan ook ongrondwettig. In visie en beleid weerspiegelt elk kabinet vanzelfsprekend de parlementaire meerderheid waarop het steunt; het regeert evenwel niet voor die meerderheid maar voor het gehele Nederlandse volk. Bewust een kabinet formeren voor ‘rechts’ roept niet alleen spanning op in de samenleving; het komt ook in strijd met het staatsrecht.

Tocqueville meende dat in het Amerika van begin 19e eeuw bescherming tegen de tirannie van de meerderheid niet zozeer werd gevonden in de wetten – thans de ‘rechtsstaat’ geheten – maar in de omstandigheden en manieren van het land. De vraag is of dat vandaag voor ons land nog geldt. Dat in de parlementaire formatiedebatten de vertegenwoordigers van de meerderheid nauwelijks meer bereid blijken met de minderheid van gedachten te wisselen, is geen goed teken

Trouwens, de praktijk van ’de grootste partij neemt meteen het initiatief in de formatie en levert vervolgens de minister-president’ maakt de gerichtheid op het gehele Nederlandse volk al vanaf het formatiebegin nogal problematisch. Deze nieuwe ‘manier’ is aan het politieke bestel opgedrongen zonder ook maar enige publieke discussie over voor- en nadelen. Dit begon met de verkiezingscampagne van de PvdA in 1977: een poster met het portret van voorman Joop den Uyl vergezeld van de leuze ‘kies de minister-president’. Meer dan eenderde van de kiezers liet zich aldus verleiden, de PvdA werd de grootste partij, maar na een zeer lange formatie werd de christen-democratische Dries van Agt, de premier.

Dit hele idee stamt dus uit de kleine politiek – de verengde wereld van de campagnes – waarin CDA en PvdA er een race om ‘de grootste’ van gingen maken – waar intussen VVD en PVV zich bij hebben aangesloten. Dit jaar was de uitkomst dat een partij die nauwelijks eenvijfde van de stemmen kreeg, en iemand aandroeg die er alleen wil zijn voor ‘rechts’, mag uitmaken wie het kabinet zal gaan leiden.

Gaat de formatie op deze on-Nederlandse polarisatietour verder dan rest de tot ‘links’ verklaarde minderheid nog slechts een zodanige hergroepering dat bij nieuwe verkiezingen de nummer 1-positie zeker wordt gesteld. Opmerkelijk is dat die ‘linkse’ vertegenwoordigers nu hun heil zoeken bij het staatshoofd, terwijl dit instituut al lang geen boodschap meer lijkt te hebben aan maar enige staatsrechtelijke voorziening behoudens de opgetelde parlementaire zetels.

Bas de Gaay Fortman, thans emeritus hoogleraar mensenrechten in Utrecht, leidde de PPR bij de Tweede Kamerverkiezingen van 1972 en daarna toen die partij met twee ministers deelnam aan het kabinet-Den Uyl.

Rectificaties / gerectificeerd

Correcties & aanvullingen

In het opinieartikel Premier in spe handelt ongrondwettig (17 september, pagina 7) is door een redactionele wijziging het staatshoofd onterecht verweten zich slechts te richten op het optellen van zetels in de Eerste en Tweede Kamer. Auteur Bas de Gaay Fortman bedoelde echter niet het staatshoofd, maar Oranjegezinde partijen als het CDA en de VVD.