Paul: de 'toppermost of the poppermost'

Groeit iedereen die al jong beroemd is onherroepelijk uit tot een monster? Paul McCartney-fan Auke Hulst las twee nieuwe boeken over Macca, de even geniale als grillige spil van The Beatles.

Singer Paul McCartney is seen during a concert in 1977, place unknown. (AP Photo) ASSOCIATED PRESS

Howard Sounes: Fab, An Intimate Life of Paul McCartney. Harper Collins, 634 blz. € 20,- Vertaling in januari bij Anthos.

Peter Doggett: You Never Give Me Your Money. The Battle for the Soul of The Beatles. Bodley Head, 390 blz. € 26,-

The Beatles zijn zozeer een integraal onderdeel van het collectieve bewustzijn, dat we denken dat we de leden van de band door en door kennen. Paul McCartney? O, dat is die brave, sentimentele Beatle. John Lennon? Dat is zijn diapositief: een rebel en een vredesactivist. Dat Lennon in werkelijkheid fysiek en verbaal agressief was, is in biografieën stevig uitgediept. Dat McCartney niet alleen muzikaal – het hardste Beatles-nummer is van zijn hand – maar ook karakterologisch scherpe randen heeft, is minder bekend.

Een tweetal recente uitgaven toont de man achter de babyface. Fab, An Intimate Life of Paul McCartney is een zelfverklaarde ‘definitieve biografie’, waarin Howard Sounes ‘een uitgebalanceerder, gedetailleerder en allesomvattender leven’ probeert te schetsen dan anderen tot dusver deden. In het intrigerende You Never Give Me Your Money volgt Peter Doggett het verhaal van The Beatles aan de hand van het zakelijke circus dat zich vanaf de dood van manager Brian Epstein rond de band ontspon: een kluwen aan bedrijfjes, contracten en conflicten die tot ver na de breuk in 1970 onontwarbaar was. McCartney is in zekere zin ook de hoofdfiguur in dit boek, omdat hij een andere zakelijke koers nastreefde dan zijn collega’s, die hij uiteindelijk – met succes – voor het gerecht sleepte.

Hoewel Sounes verklaart niet de bedoeling te hebben McCartney te ontmaskeren, vormen McCartney’s mankementen een hoofdbestanddeel van zijn verhaal. Veel voert Sounes terug op de vroegtijdige dood van McCartney’s moeder Mary. In 1956, toen Paul 14 was, bezweek ze aan borstkanker, de ziekte die wrang genoeg decennia later ook zijn grote liefde Linda van het leven zou beroven. Het trauma legde de basis voor zijn band met Lennon – die niet veel later zijn eigen moeder zou verliezen – al deed McCartney er in eerste instantie luchtig over. Het begin van een patroon, want keer op keer, laat Sounes zien, zou McCartney verkrampt reageren op de dood van naasten. Hij miste de begrafenis van zijn vader en maakte tegen de pers de dodelijke ‘it’s a drag, isn’t it?’-opmerking na de moord op John Lennon. Pas later kwam de klap, meestal in privémomenten waarop hij diep kon wegzinken in melancholie en depressie.

Vaderschapsclaims

Een groot deel van het verhaal van The Beatles is genoegzaam bekend. Wat Sounes eraan toevoegt is een blik op McCartney’s losbandige omgang met vrouwen – resulterend in twee (niet toegewezen) vaderschapsclaims – en zijn drang om zich op te werken uit de working class. Het maakte McCartney tot de meest ambitieuze Beatle. Terwijl Lennon in bed lag, verdiepte McCartney zich in de avantgarde en produceerde hij meer, en nauwkeuriger uitgewerkt materiaal dan zijn kompaan. Zoals zijn latere manager Richard Ogden zegt: ‘Paul wilde succesvol zijn. The toppermost of the poppermost.’ Dat Lennon minder gedreven was – al had hij de air van een leider en meer talent als tekstschrijver – zal iets te maken hebben gehad met karakter, maar ook met een subtiel standsverschil tussen de beide voormannen. Lennons familie was, hoewel disfunctioneel, middle class.

De kern van McCartney’s verhaal schuilt uiteindelijk in zijn relatie tot Lennon, al onderkent Sounes dat niet. Uit het onderliggende minderwaardigheidscomplex kan de kracht van zijn Beatleswerk worden begrepen, maar ook de zwakte van later werk, toen critici zich afvroegen of Paul een lobotomie had ondergaan of echt dood was, zoals het gerucht wilde.

Doggett gaat – tussen alle contractbesprekingen en rechtszittingen in – dieper in op dat complex. Hij laat zien dat Lennon en McCartney elkaar opstuwden dankzij de diepe angst dat de ander eigenlijk beter was. Er was sprake van een wederzijdse bewijsdrang, de vrees door de ander te worden ontmaskerd, maar ook van twee complementaire talenten. Na The Beatles zou Paul elk interview met John op een goudschaaltje wegen, bang voor de onvermijdelijke belediging en wanhopig op zoek naar een sprankje waardering – de enige waardering die hem echt iets kon schelen. Linda McCartney, die deel zou uitmaken van McCartney’s band Wings, daagde Paul niet uit, maar vervulde de rol van zorgzame moeder. In die zin was het opbreken van The Beatles voor beide songschrijvers (en voor ons) een artistieke tragedie. Terwijl Lennon nog één goede plaat maakte om zijn voormalige partner te overtroeven (en in ‘How Do You Sleep?’ tot de bodem af te branden) was McCartney’s latere werk consistent onevenwichtig. Hij kwam pas weer op niveau nadat hij zich in het werk van The Beatles verdiepte voor de Anthology-reeks. Meer dan een decennium na de moord op John, werd hij andermaal door John uitgedaagd, met Flaming Pie, McCartney’s beste soloplaat, als gevolg.

Afgezien van Pauls respect voor John en producer George Martin, kenmerkt McCartney’s verhouding tot andere musici zich door (enigszins begrijpelijke) eigenwaan. Al tijdens The Beatles behandelde McCartney Harrison als een trage pupil, terwijl Ringo, aldus Doggett, ‘liever de band verliet dan de dagelijkse terreur van Fat-Face McCartney te doorstaan’. Wie zo jong beroemd wordt, groeit uit tot een monster, zegt Sounes, die het – kort door de bocht – als verklaring ziet voor een voorkeur voor monsterlijke vrouwen waaraan zowel Lennon als McCartney leken te lijden. Het lastige van McCartney’s betweterigheid is dat hij vaak gelijk had. Muzikaal, maar vooral zakelijk. Hij stak de meeste energie in belastingconstructie-annex-hippieconcern Apple, zag als eerste dat het bedrijf slecht gerund werd en had duidelijke ideeën over de herstructurering. En hij was de enige die inzag dat Allen Klein – door de drie anderen geprefereerd als manager – een onbetrouwbare partij was. McCartney weet wat goed zakelijk advies is, en is niet voor niets ’s werelds rijkste entertainer geworden.

Een groot deel van Doggetts verhaal beslaat de jaren na de breuk, terwijl ook Sounes, anders dan voorgaande biografen, veel aandacht besteedt aan McCartney’s solocarrière, een tijd waarin hij geregeld verdween in de wildernis van muzikale irrelevantie. De tweede helft van McCartney’s carrière is er één van hits and misses, maar vooral van een hecht familieleven met voormalige groupie Linda Eastman, een handvol kinderen en nog veel meer dieren. Haar dood is, met de dood van moeder Mary en van John Lennon, een van de piketpalen van McCartney’s leven en het startpunt van de beschamendste episode uit zijn leven: het op een (gewonnen) scheidingszaak uitgelopen huwelijk met Heather Mills.

Sounes haalt veel duistere aspecten van McCartney’s persoonlijkheid naar boven: zijn omgang met collega’s, zijn beschamende ontrouw vóór Linda, zijn neiging tot gemakzucht wanneer hij niet wordt tegengesproken, de diepte van zijn depressie na de breuk met The Beatles. Maar de schrijver ontkracht ook een aantal vooroordelen. De vrijgevigheid die McCartney in stilte demonstreerde is indrukwekkend en in tegenspraak met zijn reputatie. Zijn omgang met zijn kinderen – die relatief normaal opgroeiden – is een voorbeeld voor menig beroemd ouder. Bovendien komt McCartney naar voren als de Beatle die het meest hield van de band, en zich het meest inspande om nieuwe richtingen in te slaan, al maakte hij met zijn drammerigheid ook veel kapot.

Tegencultuurkenner

De voornaamste kritiek die je op deze boeken kan hebben, is dat ze te weinig over muziek gaan. Bij You Never Give Me Your Money is dat wellicht logisch, maar dat ook Fab weinig woorden vuil maakt aan de totstandkoming van nummers en albums, is een tekortkoming. Hoewel McCartney’s privéleven stormachtig is geweest, is muziek de essentie van zijn wezen. Sommige albums afdoen met een paar alinea’s – zoals Sounes doet met het uitstekende Chaos And Creation In The Backyard (2005) – is misplaatst.

Voor inzicht in de muziek van Sir Paul hebben we meer aan de verkapte autobiografie Many Years From Now (1997), die op schrift werd gesteld door vriend en tegencultuurkenner Barry Miles. In dat boek wordt de wording van vrijwel elk Beatlesliedje nageplozen, al probeert McCartney, net als Lennon eerder, de geschiedenis in zijn voordeel te herschrijven. Het meer wetenschappelijke The Beatles as Musicians (1999), door muziektheoreticus Walter Everett, ontleedt de tracks op een technisch niveau – zowel harmonisch, melodisch als productioneel – en is mogelijk het enige boek dat feilloos blootlegt wat er zo baanbrekend was aan de muziek van de Fab Four. Al is dat werk voor de niet geschoolde musicus – en dus, ironisch genoeg, voor Macca zelf – een behoorlijke opgave.

Er is oneindig veel over The Beatles en over McCartney geschreven. Elk boek, van de gesuikerde Anthology (2000) tot Fab, heeft zijn beperkingen gekend. Een definitieve biografie is er vooralsnog niet, en je kunt je ook afvragen of één band een zo vol en bepalend leven recht zou kunnen doen. You Never Give Me Your Money is, dankzij een bewuste afbakening, een welkome toevoeging aan de Beatlesbibliotheek. Fab zal de geschiedenis ingaan als een dappere, enigszins rellerige en slordige poging tot een allesomvattend werk. We zullen het ermee moeten doen tot er iemand opstaat die psychologisch en muzikaal inzicht koppelt aan het vermogen een afgewogen verhaal te destilleren uit de intimiderende zee aan informatie.