Klaaglied

Op de korte brug naar de Stopera, bijna onder het werkvertrek van de Amsterdamse burgemeester, zaten twee straatmuzikanten – een klarinettist en een accordeonist – te spelen. Ze waren afkomstig uit de Balkan, en dat wilden ze graag laten horen.

Aanvankelijk liep ik ze gedachteloos voorbij. Veel van dergelijke muzikanten produceren louter afgrijselijke deuntjes in de hoop dat je van schrik wat muntjes laat vallen. Maar terwijl ik doorliep, merkte ik dat mijn muzikale geweten – of wat daarvoor doorgaat – lichtjes protesteerde. „Heb niet zo’n haast en luister nou ’s even”, zei hij, „deze mannen kunnen er écht wat van.”

Ik passeerde het beeld van Spinoza, die zelf geen krimp gaf maar aan wiens voeten wél een groepje toeristen aandachtig zat te luisteren. Ik koos een bankje bij het Joods verzetsmonument met dat machtige uitzicht over de Amstel en deed wat me geadviseerd was: goed luisteren.

De mannen waren bezig aan een lang, melodieus klaaglied waarvan de droefenis je snel bij de keel greep, ook al verstond je er geen woord van.

Alles wat ze aan weltschmerz in huis hadden, en dat was niet weinig, gooiden ze er met bakken tegelijk uit. De klarinet jankte met gierende uithalen en de accordeon zonk weg in melancholiek Slavisch gefluister. Als de instrumenten even zwegen, begonnen de mannen aan weemoedig gezang waarvan zelfs de vissen in de Amstel tranen in de ogen moeten hebben gekregen.

Na een poosje merkte ik dat ze eigenlijk één eindeloos lang lied zongen, waarvan ze de kernmelodie na allerlei muzikale omzwervingen steeds weer hernamen. De klarinettist was de onbetwiste leider, hij voerde de accordeonist mee door het doolhof van gangetjes waaruit dit lied bestond. In vervoering leunde hij op zijn opvouwbare plastic stoeltje afwisselend voorover en achterover, alsof hij de triestheid van zich af wilde schudden.

Ja, mooi!

Ik schatte dat de mannen tegen de vijftig liepen. De klarinettist had een snorretje en droeg een zwart petje. De accordeonist had geen behoefte zijn uiterlijk ook maar enigszins te verfraaien, hij was zijn slonzige zelf. Ze droegen allebei een jack van typisch OostEuropese makelij, onbestemd van kleur en slecht passend.

Omdat er geen einde aan hun lied leek te komen, besloot ik de boodschap te gaan doen waarvoor ik gekomen was. Ik liep naar de muzikanten en gooide geld in het bakje op hun rolkoffer. De accordeonist knikte, de klarinettist was net aan zijn zoveelste solo begonnen.

Twintig minuten later was ik weer terug op deze plek, nieuwsgierig of ze nog steeds aan hetzelfde lied bezig waren. Helaas, ze hadden hun sessie net beëindigd. Ze borgen hun instrumenten op en de klarinettist zwaaide even naar het terras van restaurant Dantzig.

Al tien meter verderop bleven ze stilstaan bij een kraampje in de doorgang naar het Waterlooplein. Ze graaiden in stapeltjes kleren op de grond. De klarinettist hield een donker winterjack omhoog. Was dit wat voor hem? De accordeonist knikte en hielp hem in het jasje. Het zat hem als genoten, hij keek er trots naar. Kort onderhandelde hij met de koopman, die met zijn handen cijfers in de lucht schreef.

De klarinettist hield het nieuwe jasje aan en borg het oude zorgvuldig in de koffer op. Toen verdwenen ze voorgoed.