Italië uit het vuistje

In acht maanden tijd schreef Ippolito Nievo de meer dan duizend bladzijden tellende ‘Belijdenissen van een Italiaan’. Lees het en sta paf, raadt Italië-kenner Joyce Roodnat.

Ippolito Nievo: Belijdenissen van een Italiaan (Le Confessioni d’un Italiano). Vert. Jan van Geldrop. Met een voorwoord van Claudio Magris. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 1039 pag. € 39,95

Ippolito Nievo stierf niet in zijn bed of, na een lang leven, tussen de tomatenplanten. Hij stierf op zee. Op een schip dat was vertrokken uit een Siciliaanse haven. Het wilde naar Napels maar het verging in een storm. Zeggen ze. Het was 1861, Nievo was net dertig jaar oud. Een wonderman. Politicus, denker, dichter, en niet in de laatste plaats strijder te paard in dienst van Giuseppe Garibaldi’s vrijheidsstrijd om de eenwording van de Italiaanse laars. Auteur van een stel boerenlandnovellen. Vooral de schrijver van de duizend pagina’s tellende historische roman Belijdenissen van een Italiaan. De tachtig jaren die hij in dat boek de revue laat passeren namen acht maanden schrijven in beslag, van december 1857 tot half augustus 1858. Het verscheen postuum.

In dit boek haalt een grijsaard herinneringen op. Carlino Altoviti. Kareltje dus. Hij begint zijn leven als de verwaarloosde bastaard van een adellijke familie, op een kasteel dat zo lekker morsig wordt beschreven dat ik er illustraties van Marten Toonder bij begon te denken. Deze Carlino groeit op en wordt ooggetuige van en deelnemer aan de krankzinnige historische gebeurtenissen die uiteindelijk zouden leiden tot de eenwording van Italië, het zogenoemde Risorgimento. Nievo volgt die ontwikkelingen lokaal, hij zet Carlino ertussen. Zo herleidt hij ze consequent tot zijn personages wier kleine levens op hun kant gaan door al dat grote gebeuren.

Nievo wekt verbazing en verbeelding. In zijn stijl en aanpak zijn sporen te herkennen van Giacomo Casanova, die een halve eeuw eerder zijn memoires optekende. Een hedendaagse opvolger is Umberto Eco, een schrijver met dezelfde denkkracht, dezelfde hang naar filosofie en historie. Met dezelfde gulle verknoping van feit en fictie en dezelfde mateloze vertelstijl. Eco verwijst in een aanprijzing van zijn nieuwe roman naar ‘het onopgeloste raadsel van de dood van de schrijver Ippolito Nievo’. Dat is de eer die hem toekomt, de eer van een mysterie te zijn. Want een raadselachtige dood is de sluitsteen van een raadselachtig leven en dat raadsel stuwt Nievo’s boek op.

Lees Belijdenissen van een Italiaan en sta paf. Hoe hij dit in zo’n korte tijd kon schrijven is nog het minste raadsel. Nauwelijks te bevatten is zijn literair illusionisme: hoe lukt het hem om tientallen personages helder te houden (ik verwarde ze nooit), om de lijn van zijn verhaal spannend te houden ondanks zijn uitweidingen (ze verveelden me nooit), en om daar bovenop alert te vertellen over de, voor hem verse en dus onoverzichtelijke, geschiedenis van Italië (ik kon niet altijd alles volgen maar hij voorkomt dat ik daar ongelukkig van word).

Het basisverhaal is een soap vol bruisende figuren. Die worden verknoopt met Nievo’s interpretatie van de politieke omwentelingen die Italië baarden. Baren doet pijn.

Jan van Geldrop vertaalde het boek in het Nederlands als de tarantella: snel, dwingend en zwierig. Hij schrok niet terug voor de kneuterige zinnetjes van de boeren, besefte het belang van gezegend gewauwel in het algemeen en is een meester in de welgemikte kwebbelwoordjes die in dit boek de middenstand en de geestelijkheid definiëren. Grote hoogten bereikt Van Geldrop met de groot-melodramatische gebaren waar Nievo zo ongeveer al zijn personages wel een keertje mee tackelt.

Belijdenissen van een Italiaan begint in Friuli, het boerenland dat eronder werd gehouden door de dictatuur van het naburige Venetië. De Venetiaanse Dogen werden bijgestaan door de plaatselijke adel – politieke en diplomatieke dwaallichten. Nievo hoont op vele manieren hoe ze zich wentelen in het ‘verzaligd gevoel’ van de eigen gewichtigheid. Hij typeert ze met surrealistische observaties: ‘Wanneer meneer de graaf sprak, zwegen zelfs de vliegen.’ Om hen heen krioelt het volk, bezig met het enige waar het wat greep op heeft: zijn eigenbelang.

Gooi- en smijtwerk

Na een stilstand van eeuwen (en van honderden prachtige pagina’s die telkens vertrekken vanuit de enorme keuken van het kasteel) krijgt de geschiedenis zin in majeur gooi- en smijtwerk. Nievo gaat in de hoogste versnelling.

De Fransen exporteren hun revolutie door op strooptocht te komen, letterlijk in de dorpen en de steden, mentaal in de verschillende heersersstructuren. Venetiës corrupte politiestaat gaat op de schop, de andere staten volgen. Is Napoleon op de ene pagina nog een onbekende wiens naam wordt bespot, op de volgende bladzijde trekt hij brandschattend langs het Gardameer. Nog een pagina verder is de paniek compleet. Iedereen slaat in het wilde weg op de vlucht. Weer wat alinea’s later heeft, in Napoleons kielzog, een nieuwe klasse de macht gegrepen. Even.

Nievo beschrijft de revolutie als een hype, met de rol van Carlino als uitgangspunt. Als pendelaar tussen de klassen (geboortig in de adel, grootgebracht door een keukenhulp) is hij de aangewezen persoon om zijn stadje te vertegenwoordigen. Maar ook omdat hij bij toeval te paard op het juiste moment op het juiste piazza arriveerde: ‘Dat heb je nou soms met een paard.’ Smakelijk beschrijft hij hoe zijn succes hem naar het hoofd stijgt en in de bol slaat.

En Napoleon? Af en toe zien we hem terug, in de veiligheid van de coulissen. Hij wordt een dikzak, stelt Carlino ten slotte vast, die Italië ‘uit het vuistje [heeft] opgepeuzeld’.

Naast de geschiedschrijving wordt, in Belijdenissen van een Italiaan, een hoofdrol gegund aan de liefde, ‘die in goede handen de wiekslag van een engel is’. Nievo presenteert een wilde verzameling liefdesparen die elkaar echoën: de mannen zijn zwak, de vrouwen zijn sterk, zoals de trouwhartig minnende Leopardo en zijn vlinderende Doretta, of de burgerdokter Lucilio die niet kan ophouden de ongrijpbaar hoog geboren Clara te begeren of ze nou grijs, anorectisch of non wordt.

Carlino zelf is de helft van het mooiste stel. Sinds zijn vroege jeugd is hij gegrepen door zijn nichtje Pisana, een driftig, schreeuwend en bijtend wezentje dat niettemin soms zijn kusjes veelt. Pisana is een onvergetelijke figuur. Als klein meisje al ontpopt ze zich als een geboren vrijdenkster, een voorafspiegeling van Scarlett O’Hara uit Gone with the Wind – gewend aan de macht van de hoge geboorte, trappend op de tenen van iedereen die haar de voet dwars zet, stikkend van onvervulde emoties. En niet geïnteresseerd in conventies of roddel. Haar ongeluk is dat ze er niet aan wil dat ze haar hart heeft verpand aan een relatieve buitenstaander (ook Gone with the Wind’s Rhett Butler en Carlino Altoviti zijn zo’n beetje uit hetzelfde hout gesneden) die klaarblijkelijk niet in staat is om haar aan haar lot over te laten, hoe ze hem ook schoffeert.

Overal zoekt ze liefde, ze verdwijnt en ze verschijnt weer en telkens nestelt ze zich opnieuw aan Carlino’s borst. Behoeft hij redding dan staat ze paraat als Cat Woman, net zo onverwacht verschijnt ze, net zo sexy en net zo erotisch onbereikbaar. Is hij toe aan een gezin en nakomelingen dan organiseert Pisana voor hem een geschikte echtgenote – een vrouw met wie ze naar het lijkt een lesbische relatie heeft gehad, en zo heeft ze toch een beetje deel aan zijn geluk.

De melancholieke liefdesdialoog tussen Carlino en Pisana die op weg is naar haar sterfbed, zorgt voor de mooiste bladzijden van dit boek.

Daar verbinden de verbale oostindische-inkttekeningen waarmee Pisana wordt beschreven zich met de zinnen als rococo-olieverfjes, vol fratsen en frutsels, die haar op andere momenten hebben gedefinieerd. Snikkend vat Carlino hun liefde samen: ‘Jij was als de golf, die komt en gaat over het strand aan de voet van de klip.’

Lofzang

Nievo legde het loodje toen zijn boek nog een work in progress was. En dat zie je. Er ontspoort wel eens een gedachtegang. Een man die naar Londen is gevlucht, verblijft zes pagina’s verder in Zwitserland, maar daarna is hij toch Londen. Er treedt iemand op die eerder overleden is. En nog zo wat grut. Wat geeft het? Je kunt met even veel reden vaststellen dat er verbazend weinig vergissingen zijn, voor een boek dat zijn laatste correctie heeft moeten ontberen.

Hoe kan het dat deze roman de lezer anderhalve eeuw later nog steeds dwingt om er doorheen te denderen?

Het leven, stelt Carlino Altoviti vast, is ‘geen geregelde veldslag’. Nievo overziet de chaos van het leven met dit boek, en die chaos verhelpt hij nadrukkelijk niet. Zijn genie is dat hij de wirwar van geschiedkundige gebeurtenissen, historische en verzonnen figuren steeds scherpt aan zijn psychologische en wijsgerige inzichten. Hij verleidt de chaos tot openbaringen, door hem met zijn observaties als het ware zijn lichaam aan te bieden, zijn hele hebben en houwen.

En dan zingt hij ineens een lofzang op de hond. Juist.