Ik droomde me held, maar helaas

Met ieder nieuw boek lijkt Adriaan van Dis als schrijver een groeispurt te maken.

De grootste charme van zijn nieuwe roman Tikkop ligt in de laconieke taal.

'Het nieuwe Zui-Afrika verborg zich achter hoge muren, dook naar verboden schelpen, en snoof zich stom.' Foto Peter Maumeiste/Bloomberg News Elias Filipus Lawsola, an Angolan immigrant, works as a fisherman on board a fishing vessel in Hout Bay, Cape Town, South Africa, Friday, January 20, 2006, to sustain a living far from home. With the influx of foreign nationals fleeing from African countries such as Somalia, Congo, Angola, into South Africa in search of a better future, some of the locals feel threatened by their presence. Xenophobia has in the past sparked violence between groups here when living in the same settlements. Photographer: Peter Baumeiste/Bloomberg News BLOOMBERG NEWS

Zijn naam is Mulder. Een voornaam heeft hij niet, wel schuilnamen. Hij is rond de zestig, afhankelijk van pillen, tobberig van aard, geplaagd door het schuldgevoel van de rijkaard in een wereld vol armoede. ‘Korte grijze haren, op maat gesneden overhemd’, luidt het signalement dat hij van zichzelf geeft in de roman Tikkop; ‘een gedistingeerd heer die zijn best deed zich te verplaatsen in de rebel die hij was geweest.’ We denken hem te kennen, deze Mulder, en niet alleen omdat hij lijkt op zijn schepper. Als Meneer Mulder alias Nicolas Martin treedt hij op in De wandelaar (2007), de geslaagde roman over een Nederlander die kennismaakt met de achterkant van Parijs en worstelt met zijn verlangen om ‘iets te doen’ aan het leed in de wereld. Als Mulder alias Marten is hij nu de hoofdpersoon van Tikkop, het verhaal van een halfhartige strijder tegen de apartheid die na jaren terugkeert naar Zuid-Afrika. ‘Een geheugenreis’, ook omdat er gaten in zijn herinnering zitten door twee herseninfarcten waarvan hij ternauwernood is hersteld.

Mulder, die de naam Marten kreeg toen hij zich in zijn Parijse studietijd bij een anti-apartheidsgroepering aansloot, gaat naar de Kaap op uitnodiging van zijn oude strijdmakker Donald. ‘Als je elkaar na veertig jaar weer opzoekt, vind je elkaar niet meteen terug’, en dus staat Mulder erop om zijn eigen huisje te huren in het vissersdorp waar zijn progressieve blanke Afrikaner vriend ‘zijn hoop tot een duinpan [heeft] teruggebracht.’ Het wordt geen succes: het aftandse huis op het duin (‘zonder luxe woont u veiliger’ zegt de makelaar) is een magneet voor nieuwsgierige dorpsbewoners, insecten en kruimeldieven, en blijkt uiteindelijk niet eens bestand tegen de elementen. Al is Mulder natuurlijk beter af dan de bruinmense aan de voet van het duin, die nauwelijks in hun vissersbestaan kunnen voorzien en bij de eerste de beste vloedgolf worden weggespoeld.

Het beeld dat Van Dis geeft van de Kaapprovincie is vergelijkbaar met dat van Parijs in De wandelaar. Niks toeristische hoogtepunten, hier serveert men de harde werkelijkheid. Geen mooie wijnvelden in een zonnig berglandschap, maar een godvergeten kuststrook zonder riolering. Geen hoopvol heden in een land dat is bevrijd van een repressief systeem, maar een dog-eat-dog-samenleving waarin romantiek misplaatst is. Mulder krijgt een onhartelijk welkom – een worshond zet zijn tanden in zijn been – en ziet al snel de armoede, de corruptie, de gewelddadigheid van het ‘gekloofde land’ om zich heen: ‘Het nieuwe Zuid-Afrika was een beet in zijn kuit, verborg zich achter hoge muren, dook naar verboden schelpen, hoereerde en snoof zich stom.’ En aan de basis van veel ellende ligt de verslaving aan crack (tik in het Afrikaans); een drug die je geheugen, je gevoel, je geweten wegvreet – niet toevallig drie dingen waar Mulder erg mee bezig is.

Mulder vat dan ook sympathie op voor een van de tikkoppe. Samen met Donald probeert hij deze Hendrik te laten afkicken en op het rechte pad te brengen – een gedoemde poging die een echo is van hun naïeve idealisme in de jaren zeventig. Mulder is een Barmhartige Samaritaan, in de Kaap net zo goed als in Parijs; de scène in de roman waarop hij tegen een prent van zijn bijbelse voorbeeld aanloopt, is veelzeggend. Hij wordt door Van Dis zelfs afgeschilderd als een moderne Sint Maarten, iemand die zijn jas afstaat aan een bedelaar. Zijn reis naar Zuid-Afrika wordt een oefening in berusting: hij zweert de morele verontwaardiging af en besluit de wereld te nemen zoals ze is, ‘Hij nam zich voor nog meer een mensenlezer te worden.’

De moraal is misschien té gemakkelijk, maar Van Dis laat het verhaal dat eraan voorafgaat sprankelen. Door de (zelf)spot waarmee hij Mulder beschrijft; door de inlevende beschrijvingen van de moeizaam multiculturele samenleving; en door de figuren die hij door middel van kernachtige gesprekken en bitterzoete monologen aan ons voorstelt: de overbezorgde blanke buurvrouw, de even arme als verleidelijke bruine oesterverkoopster, de bemoeizuchtige zwarte klusjesman, en vooral de ‘Maaierman’, die met dertig meter verlengsnoer langs de deuren gaat en niet alleen ‘bermen, duingras, bossies’ snoeit, maar ook zijn zinnen.

Van Dis lijkt met ieder nieuw boek als schrijver een groeispurt te maken en herbergt in zijn nieuwe roman ook nog een onverwerkte liefdesgeschiedenis, een dubbel verraad, en een vadercomplex dat aan de basis ligt van Mulders gevoelens voor Hendrik. Maar de grootste charme ligt in de laconieke taal. De Afrikaganger en ‘mensenlezer’ heeft ‘sy ore laat wandel’, zoals een van zijn personages het uitdrukt. Hij grossiert in aansprekende stemmen en speelt met de schijnbare vrolijkheid van het Afrikaans, iets wat nog meer tot uitdrukking komt in zijn integrale voorlezing van de roman voor uitgeverij Rubinstein. Maar ook Mulders eigen overpeinzingen zijn mooi geformuleerd – soms in de vorm van interne monologen, soms in de directe rede: ‘Ik droomde me held, maar het kwam er niet van.’

Met Tikkop heeft Van Dis een mooie pendant geschreven van De wandelaar, dat ook ging over het verschil tussen schuldgevoel en verantwoordelijkheid, weldoenerij en bemoeizucht, schone schijn en groezelige realiteit. Het speelveld is verlegd, van Parijs naar Zuid-Afrika, waar de tegenstellingen en desillusies nóg scherper uitkomen. Van Dis is onze eigen Graham Greene, een schrijver-reiziger die verre buitenlanden gebruikte als brandpunt voor morele kwesties en zo wist te raken aan the heart of the matter. Ongetwijfeld zien we Mulder nog terug, nippend aan zijn J&B – in West-Afrika, Istanbul of waar hij zijn oren maar kan laten wandelen.

Lees een recent interview met Van Dis op www.nrcboeken.nl

Adriaan van Dis: Tikkop. Augustus, 224 blz. € 18,95. Het luisterboek, gelezen door de auteur, verscheen bij Rubinstein, 5 cd’s, € 18,95