Hun lijden is ons lijden

Schopenhauer, volgende week 150 jaar dood, is nog steeds zo populair omdat zijn filosofie een brug wil slaan tussen wetenschap en het concrete bestaan met zijn problemen en zijn smart, schrijft Ger Groot.

Gerard Donovan: De telescoop van Schopenhauer. Vert. Marion op den Camp. Ailantus, 318 blz. € 20,50

Arthur Schopenhauer: Dat ben jij. Over de grondslag van de moraal. Vert. Hans Driessen. Wereldbibliotheek, 190 blz. € 16,50

Robert Zimmer: Arthur Schopenhauer. Ein philosophischer Weltbürger. DTV, 299 blz. € 15,-

De filosoof Arthur Schopenhauer had niet veel fiducie in de praktische betekenis van zijn eigen denkkracht. ‘Voor het praktische leven is het genie even bruikbaar als een telescoop in een schouwburg,’ schreef hij ooit. Een groot deel van zijn leven had hij daar alle reden toe. Het filosofisch meesterwerk De wereld als wil en voorstelling dat Schopenhauer in 1819 als jonge dertiger publiceerde, bleef jarenlang onopgemerkt. Het proefschrift waarop hij kort daarvoor was gepromoveerd werd door zijn moeder koeltjes in ontvangst genomen. Over de viervoudige wortel van het principe van de toereikende grond heette het en Johanna Schopenhauer nam die titel iets te letterlijk. Dat wortelgewroet leek meer iets voor apothekers, vond ze. Het kwam nooit meer goed tussen moeder en zoon.

Komende dinsdag is het 150 jaar geleden dat Schopenhauer overleed. In die tijd heeft de waardering voor zijn filosofie heftige schommelingen ondergaan. Op 21 september 1860 stierf hij toch nog als de beroemdste filosoof van zijn tijd en dat zou hij ruim een halve eeuw blijven. Niet alleen Nietzsche maar ook Wittgenstein lazen hem in hun jeugd met rode oren. Wagner vereerde hem. Zonder Schopenhauer zou Freud niet denkbaar zijn geweest.

Na WO I daalde zijn ster snel. De 20ste-eeuwse filosofie wilde zakelijk en wetenschappelijk worden en had weinig boodschap aan Schopenhauers mengsel van metafysica en verlossingsleer. Om dezelfde reden is zijn werk sinds een jaar of twintig opnieuw in de belangstelling gekomen. Tegenover een filosofie die steeds academischer en technischer was geworden, werd het werk van outsider Schopenhauer een aantrekkelijk alternatief. Wel verdient dat woord ‘aantrekkelijk’ enig voorbehoud. Want de wereld die in Schopenhauers denken naar voren komt, behoort tot de grimmigste uit de geschiedenis van de filosofie. Het menselijk leven wordt getekend door pijn, geweld, wreedheid en teloorgang. Geluk is voor ons niet weggelegd. Alles zal uiteindelijk vergaan en het verlies dat dat met zich meebrengt vormt de laatste triomf van de smart.

Dat is ook de wereld die naar voren komt in de roman De telescoop van Schopenhauer van de Britse schrijver Gerard Donovan, die nu is vertaald. Een sobere roman, die vooral bestaat uit de dialoog tussen twee mannen. De één graaft een gat, de ander staat er naast en oreert over goed en kwaad, moraal en schuld. Het is winter; op de achtergrond worden mensen aangevoerd in vrachtwagens. Rondom het stadje waar het boek zich afspeelt is zojuist een gewapend grensconflict uitgevochten; er staan verschrikkelijke dingen te gebeuren.

De twee mannen in De telescoop van Schopenhauer zijn slachtoffer en dader in een klassieke scène van oorlogsverschrikking. Maar in de loop van de roman, die één lange middag beslaat, worden de rollen langzaam omgedraaid. De man in het gat blijkt een cynische opportunist. De man ernaast, een onderwijzer, neemt steeds meer afstand van de kille wereldwijsheid waarmee hij het gesprek begon.

Het is ook de onderwijzer die Schopenhauers telescoop ter sprake brengt. Niet het misplaatste instrument uit het theater, maar de ‘omgekeerde telescoop’ die hij aan een andere passage uit Schopenhauers werk zegt te hebben ontleend. Als we onze daden willen beoordelen, zo citeert hij de filosoof, dan zouden we in gedachten vijftig jaar naar de toekomst moeten reizen om van daaruit door een omgekeerde sterrenkijker terug te zien op het heden. Alleen vanuit zo’n perspectief zouden we de juiste beslissingen kunnen nemen voor de problemen waarmee we nu worden geconfronteerd. Dat is een heel andere Schopenhauer dan de radeloze pessimist die met zoveel literaire brille de gruwelen van de geschiedenis wist te schilderen. Vanaf grote afstand valt alles op zijn plaats. ‘De wereld is niet zwart-wit,’ aldus de schoolmeester aan het eind van het boek. Juist dat is ‘een geloof dat verwarring en pijn veroorzaakt. Sta open voor verandering en je zult veranderen.’

Is dat nog Schopenhauer? Ontegenzeggelijk speelt verandering in zijn filosofie een belangrijke rol. De hele wereld is opgenomen in een voortdurende ontwikkeling, zo leert hij. Niets beklijft, ook al denken wij dat sommige dingen minstens een tijd lang ‘hetzelfde’ blijven. De tafel waaraan we zitten, het huis dat we bewonen en niet in de laatste plaats ons eigen ‘ik’: van al die dingen denken we dat de tijd geen vat heeft op hun wezen. Daar komt de illusie van de onsterfelijke ziel vandaan, maar zelfs ongelovigen valt het nog moeilijk afscheid te nemen van hun eigen ‘ik’ als de tijd gekomen is. De dood is het moment van onverbiddelijk en smartelijk verlies.

Pijn is volgens Schopenhauer onoverkomelijk zolang we te dicht bij onszelf blijven staan en niet het grotere geheel zien. Daarin zijn wij alleen maar korte verschijningen binnen een rusteloze stroom van ontstaan en vergaan. Schopenhauer noemde dat de ‘Wereldwil’.

Veel van zijn inspiratie had hij gevonden in de Indische filosofie. Hierin vond Schopenhauer ook het beste antwoord dat hij op zijn pessimistische wereldvisie geven kon. Elke poging om in te gaan tegen de dynamiek van de Wereldwil veroorzaakt alleen maar méér lijden. Tegen de stroom van ontstaan en vergaan zullen we het als individueel ‘ik’ altijd moeten afleggen. Overgave en zelfverzaking zijn dan de enige uitweg. We zullen ons ‘zelf’ moeten trachten uit te doven, om op te gaan in de wordingsstroom van het leven waarvan we deel uitmaken. Hoe groter de afstand waarmee we onszelf bezien, des te meer worden we ons daarvan bewust. Er is dus maar één moreel principe, zo schrijft Schopenhauer in zijn verhandeling Over de grondslag van de moraal, die bij zijn 150ste sterfdag in het Nederlands is vertaald. Liefde volstaat niet en is (als een vorm van egoïsme) zelfs meestal contraproductief. Medelijden is het morele principe. Want als alle leven lijden is, dan kunnen wij slechts opgaan in het grotere geheel wanneer we delen in de smart van iedereen.

Op die manier, zo concludeert hij, leren we te aanvaarden dat het individuele ‘ik’ zijn rechten moet opgeven tegenover het leven (de ‘Wereldwil’) in de breedste betekenis van het woord. Net als het Indische denken betrekt hij de dieren uitdrukkelijk in zijn morele perspectief. Ook hún lijden moet óns lijden zijn, zo schrijft hij; ook in hen moeten we onszelf leren herkennen. Hij haalt er de oude Sanskrietformule tat tvam asi, ‘dat ben jij’, voor aan; het is ook de titel van de Nederlandse vertaling.

Daarmee werd Schopenhauer waarschijnlijk de eerste grote filosoof die over dierenrechten sprak. Volgens Robert Zimmer, wiens nieuwe Schopenhauer-biografie zojuist verschenen is, liep hij om dezelfde reden vooruit op Darwin die het mensenras op één lijn stelde met het dierenrijk. Dat is misschien wat overdreven. Een rechtstreekse lijn van Schopenhauer naar Darwin lijkt moeilijk te trekken. Maar Zimmer heeft wel gelijk wanneer hij er voortdurend op hamert dat Schopenhauer zijn filosofie in het verlengde zag van de Verlichting en van de natuurwetenschappelijke inzichten van zijn tijd.

Niets moest hij hebben van de speculatiedrift van de filosofen van zijn generatie en nog minder van de theologie. In het denken van Schopenhauer wordt voor het eerst niet alleen afscheid genomen van God, maar ook van diens seculiere opvolger: de autonome rede. Hoe parmantig die zich ook naar voren mag schuiven, aldus Schopenhauer, tegenover het geweld van de stuwende materie staat zij vrijwel machteloos. Freud heeft die gedachte later tot uitgangspunt gemaakt van zijn psychoanalyse.

Dat heeft Schopenhauer niet alleen de reputatie van pessimist maar ook van irrationalist opgeleverd. In de prachtige biografie van Rüdiger Safranski kwam Schopenhauer twintig jaar geleden dan ook allereerst naar voren als romanticus. Vreemd is dat niet, gezien zijn hang naar de mystiek. Maar hier is het oppassen geblazen, want hoeveel wetenschappers combineren hun denkwerk niet met een uitgesproken mystieke levensvisie? De ‘verlichte’ Schopenhauer bouwde een heel denksysteem om beide te verzoenen en bewees daarmee in één moeite door dat Aufklärung en romantiek niet lijnrecht tegenover elkaar staan.

Schopenhauers groeiende populariteit wortelt ongetwijfeld in deze totaalvisie. Zijn filosofie wil rekenschap afleggen van wat de wetenschappen hebben ontdekt, maar ook een brug slaan naar het concrete bestaan met zijn problemen en zijn verdriet. Hij heeft daarop geen definitief antwoord en stuurt niemand met een kluitje in het riet. De enige oplossing is de bestaanspijn zo klein mogelijk te maken, zo benadrukt hij. Aan het einde wacht altijd de pijn van afscheid en dood, geen hemelse verlossing.

Ook in De telescoop van Schopenhauer komt de lezer er niet genadig vanaf. Hoe verstandig Schopenhauers goede raad door de mond van de schoolmeester ook klinkt, uiteindelijk heeft het kwaad het laatste woord. De wereld is en wordt niet beter dan ze is: een toneel van gruwelen en cynisch egoïsme. Eenzijdig mag die visie zijn, maar Donovan biedt geen ontsnapping aan de ijzige feiten. Zelfs door een omgekeerde telescoop bekeken biedt de dialoog tussen de graver en de schoolmeester een onthutsende aanblik.