Hoe 'verkoop' ik de Uruzgan-missie?

De meeste Nederlandse oorlogsverslaggevers reizen embedded mee met het leger.

Vanuit die positie kunnen ze het gewring en gedraai van Defensie niet goed doorzien.

Illustraties Milo

‘Er wordt nooit zoveel gelogen als na een jachtpartij, tijdens een oorlog en voor een verkiezing’, zei Otto von Bismarck (1815 -1898). Bismarck was een verklaard vijand van de democratie en kon de bevolking, die hij nodig had als kanonnenvoer, naar hartelust voorliegen: als regeringsleider was hij onaanraakbaar in het autoritaire Pruisische staatssysteem.

Ook in onze moderne democratie verdragen oorlogvoering en de waarheid elkaar slecht. Enkele voorbeelden. Vietnam, 1968: In het dorp My Lai schieten Amerikanen in 1968 meer dan 500 dorpelingen dood – de Amerikaanse autoriteiten proberen de slachting geheim te houden. Kosovo, 1998: Om de uit de hand lopende bombardementen te rechtvaardigen overdrijft de NAVO het aantal Albanese Kosovaren dat door de Serviërs zou zijn vermoord; Irak, 2005: In Fallujah beschieten Amerikaanse mariniers de stad met fosforgranaten die gruwelijke verminkingen veroorzaken – ook hier kwam de doofpot aan te pas. De Nederlandse overheid is evenmin betrouwbaar als het om oorlog gaat. In 1947 zetten Nederlandse militairen meer dan honderd ongewapende mannen tegen de muur in het West-Javaanse dorp Rawagede. Volgens Indonesië zelfs meer dan vierhonderd. Nog altijd verdoezelt de Nederlandse regering het werkelijke aantal executies. En na de Servische massamoord op meer dan 7.000 Bosnische moslims in Srebrenica hield het ministerie van Defensie informatie achter waaruit bleek dat ook de leiding van Dutchbat blaam trof.

Leugens en oorlogvoering gaan nog altijd hand in hand, maar voor het overige is er sinds Bismarck gelukkig veel veranderd. In een groot deel van de wereld heeft de parlementaire democratie wortel geschoten. En we beschikken tegenwoordig over een onafhankelijke pers die twijfelachtige beweringen van machthebbers in oorlogstijd kan controleren.

Dat is nodig, zo toont de huidige oorlog in Afghanistan. In april van dit jaar lekte een CIA-document uit waarin stond hoe de publieke opinie in NAVO-landen gemanipuleerd kan worden om de desastreus verlopende oorlog te blijven steunen. Eind juli onthulde Wikileaks meer dan 90.000 militaire documenten. The Guardian sprak van ‘een vernietigend portret’ dat onthult ‘hoe coalitietroepen honderden burgers hebben gedood in niet-gerapporteerde incidenten (…)’. Een van de uitgelekte documenten gaat over het per ongeluk beschieten door een Nederlandse gevechtshelikopter van Afghaanse burgers die in gevecht waren met de Talibaan. Daaruit blijkt dat ook Defensie de publieke opinie manipuleert: er wordt een ‘pro-actieve public relations-campagne’ gestart ‘om politieke schade (…) te voorkomen’.

Een campagne om de gevolgen van een dodelijke fout uit te wissen. Met dit soort zaken houden tegenwoordig de afdelingen communicatie van ministeries zich bezig, en we kijken er niet eens meer van op. Toch was er een tijd, nog niet eens zo heel lang geleden, dat overheidsvoorlichters zich niet móchten bezighouden met het beïnvloeden van de publieke opinie. ‘Verduidelijken en toelichten’ was hun taak. Het bieden van feiten en cijfers, meer niet. Pas in de jaren tachtig veranderde dat. In zijn boek De communicatieoorlog (2008) beschrijft Frits Bloemendaal hoe overheidsvoorlichters zich vooral gingen bezighouden met het in de markt zetten van politiek beleid. Uit een recent onderzoek van de Universiteit van Amsterdam blijkt dat er nu bij overheid en bedrijfsleven 150.000 voorlichters werken – tien keer meer dan het aantal journalisten. De voorlichters staan sterk. Een Defensiewoordvoerder vertelde me onverbloemd dat het zijn doel was de Uruzgan-missie aan de bevolking „te verkopen”.

Politieke pr-campagnes en het verkopen van een oorlog, daar prikken goed geïnformeerde, nijvere verslaggevers wel doorheen, toch? Dat is de vraag. Een groot deel van de Nederlandse journalistiek heeft zich in een positie gemanoeuvreerd van waaruit ze het gewring en gedraai van Defensie niet goed kan doorzien. Sinds het begin van de missie in Uruzgan in de zomer van 2006 bestaat er een ‘embedbeleid’. Journalisten mogen meereizen met de troepen. Reis, verblijf en beveiliging worden gratis geregeld door Defensie. Dat geldt ook voor de informatievoorziening. Wie embedded werkt, verkeert vrijwel permanent onder de invloed van voorlichters. Zij lezen bovendien je artikel voor publicatie, officieel om te voorkomen dat informatie die Nederlandse militairen of de missie in gevaar kan brengen bekend wordt. ‘Scannen’ noemt Defensie dat eufemistisch, maar volgens het woordenboek betreft het censuur. Embedded journalistiek is afhankelijke én eenzijdige journalistiek. Tijdens patrouilles verloopt het contact met Afghanen via een legertolk, gestoken in gevechtstenue en in het bijzijn van zwaarbewapende militairen. „De militairen zeggen dat de missie uitstekend verloopt. Vindt u dat ook, meneer?” Het antwoord laat zich raden.

Tussen de 450 en 600 journalisten reisden de afgelopen vier jaar embedded naar Uruzgan. Daar stonden negen (!) onafhankelijke verslaggevers, inclusief één fotograaf en een cameraman tegenover. Een kleine groep van naar schatting enkele tientallen journalisten reisde driekwart-embedded: tijdens hun embed van twee weken verbleven ze twee tot drie dagen zonder militaire begeleiding buiten de poort en vaak sliepen ze op een ISAF-basis. Zij bleven dus grotendeels afhankelijk van Defensie.

Vanaf 2004 reisde ik elf keer naar Afghanistan. Zeven keer bezocht ik Uruzgan. Vijf keer embedded, twee keer zonder militairen. Tijdens de embedded reizen deed ik ervaringen op die haaks staan op de ‘openheid en transparantie’ die Defensie zegt na te streven. Verschillende keren bleek Defensie gevechten niet in zijn weekoverzichten te melden. Ik ontdekte dat een eigenvuurincident was verzwegen bij een aanval op patrouillebasis Poentjak in december 2006. Ik moest een goedgekeurd interview met een overste over de gevechten om Chora in juni 2007 terughalen omdat het zou verschijnen vlak voor een persconferentie van de minister (heb ik geweigerd). In september 2007 trachtte de voorlichter passages in een van mijn artikelen te schrappen. Het betrof informatie over een krijgsheer die geen militairen in gevaar kon brengen, maar wel de aandacht vestigde op de mensenrechtenschendingen van deze dubieuze bondgenoot.

Tijdens mijn twee reizen naar Uruzgan zonder militairen merkte ik hoe beperkt mijn embedded beeld van de missie was geweest. Er waren gevechten gaande van Australiërs en Amerikanen, maar ondanks het feit dat Nederland lead nation was in de provincie werd daarover niets gemeld. Ook bleek een bejubeld opbouwproject (de aanleg van een weg) te leiden tot een toename van de stammenstrijd.

Dit zijn míjn ervaringen. Gelden ze voor mij alleen? Sinds het verschijnen van mijn boek Als een nacht met duizend sterren borrelen ook bij sommige collega’s verhalen op over sturing en beperkingen door Defensievoorlichters. Vast staat dat we met z’n allen op zijn minst één dubieuze militaire operatie gemist hebben. Nederlandse militairen dwongen een gewapende inspectie af van het provinciale ziekenhuis. De inval vond plaats in april 2009, zes dagen nadat bij een raketaanval op Kamp Holland soldaat Azdin Chadli werd gedood en vijf militairen gewond raakten. De Nederlanders vermoedden dat gewonde Talibaanstrijders die daarvoor verantwoordelijk waren in het ziekenhuis werden verpleegd. Ze omsingelden het hospitaal, posteerden wachtposten op het dak en doorzochten het met het geweer in de aanslag.

Volgens zowel de directeur Gezondheid (een hoge Afghaanse ambtenaar) als de Uruzgan-chef van UNAMA (de VN-missie in Afghanistan) was dit een schending van de Vierde Conventie van Genève. Toen ik contact opnam met Defensie, werd het verhaal aangepast om de associatie met een oorlogsmisdaad te vermijden. De actie betrof geen ‘inval’, maar een ‘inspectie’, zei een woordvoerder. Toen de Geneefse Conventies evenmin inspecties bleken toe te staan, ging het opeens om ‘een bezoek’.

Nederlandse instanties die eerst zwijgen en dan draaien rond de toedracht van een oorlogsmisdrijf: het wordt mogelijk gemaakt door een journalistiek die haar verantwoordelijkheid niet heeft genomen. Als de journalistiek niet de openbaarheid dient, maar zich afhankelijk maakt van voorlichters die haar gebruiken om de publieke opinie te beïnvloeden, komt de democratische verantwoording in de verdrukking: het parlement werd informatie over de actie onthouden en kon er ook via de pers geen kennis van nemen.

Het zal moeilijk worden de ontaarding van het voorlichtingsbeleid terug te draaien. Maar aan de acceptatie van een vorm van verslaggeving die zondigt tegen elementaire principes van de journalistiek, zoals onafhankelijkheid en wederhoor, kunnen we wél iets doen. Misschien zouden verslaggevers en hoofdredacteuren hun eigen positie in dezen eens nader moeten beschouwen.

En de lezers, luisteraars en kijkers, wat vinden die eigenlijk van deze merkwaardige vorm van verslaggeving? Als Nederland opnieuw bij een conflict betrokken raakt, laten we ons dan afvragen wat we van onze verslaggevers willen. Willen we dat zij ook de bij vlagen krankzinnige werkelijkheid onderzoeken achter het oorlogsgeweld, zodat we ons kunnen afvragen waarom we ook alweer onze militairen naar dat gebied stuurden? Laten we hun dan de opleiding, de tijd en de financiële mogelijkheden bieden om onafhankelijk hun weg te vinden. De overheersende rol van embedded oorlogsverslaggeving is de Nederlandse journalistiek en onze democratie onwaardig.

Joeri Boom is redacteur van De Groene Amsterdammer. Deze week verscheen zijn boek ‘Als een nacht met duizend sterren. Oorlogsjournalistiek in Uruzgan.’