Het genie is niet meer eenzaam

Veel bekende kunstenaars werken niet meer in hun eentje bij noorderlicht. Ze hebben architecten en koks in dienst en laten handwerk uitvoeren in lagelonenlanden. Kunstenaars als Wim Delvoye en Olafur Eliasson staan aan het hoofd van een bedrijf. Goed zaken doen is de hoogste vorm van kunst, vond Andy Warhol.

Opname/scan 1997

De teringbende die na de dood van Francis Bacon (1909-1992) werd aangetroffen in zijn Londense atelier moet onbeschrijfelijk zijn geweest. Ruim dertig jaar lang had de kunstenaar er gewerkt en in al die tijd had hij nooit iets weggegooid, zo leek het. Het atelier was compleet dichtgeslibd met lege verftubes, jampotten, terpentineflessen, aan stukken geknipte corduroy broeken, kasjmier truien en geribbelde sokken – lappen die de kunstenaar gebruikte om verf mee aan te brengen. Een team van archeologen kwam eraan te pas om de kniehoge puinhopen te bedwingen en de honderden boeken en catalogi, de duizenden foto’s en de stapels brieven, kranten, tijdschriften en elpees in kaart te brengen.

In 1998, zes jaar na Bacons dood, werd het atelier volledig ontmanteld en gereconstrueerd in de Hugh Lane Gallery in Dublin, waar het sinds mei 2001 te bezichtigen is. Zevenduizend voorwerpen werden vanuit Londen verscheept, inclusief de met verfresten besmeurde muren, vloer en plafond. Bacons werkplaats is nu misschien wel het bekendste en meest tot de verbeelding sprekende atelier ter wereld. Want zó hoort de leefwereld van een geniale kunstenaar eruit te zien: als een magisch heiligdom vol attributen waarvan alleen hij de ware betekenis kent. Een plek waar chaos heerst die alleen hij, de tovenaar, kan bezweren en in meesterlijke nieuwe beelden kan omzetten.

Nog altijd bestaan er talloze ateliers van het Bacontype. In de afgelopen vijftien jaar bezocht ik vele werkplaatsen van schilders, vaak in oude klaslokalen, waar de verfklodders korsten hadden gevormd op de vloeren, waar uitgeknipte foto’s en krantenknipsels ter inspiratie met plakband aan de muren waren opgehangen en waar terpentinedampen opstegen uit lege jampotten vol kwasten. Ik herinner me ook veel afgetrapte meubelstukken – bureaustoelen waar de schuimrubber vulling uitpuilde, of tafels waar lijmresten en krassen mooie composities vormden.

Zo’n atelierbezoek is een voorrecht. Het is alsof een muzikant zijn ruwe noten speciaal voor jou ten gehore brengt. En terwijl je kijkt naar die fonkelnieuwe schilderijen, waarvan de verf nog niet eens droog is, voel je de ogen van de kunstenaar verwachtingsvol in je rug prikken. Soms onzeker, soms overtuigd van eigen kunnen: „En, wat vind je ervan?”

Maar er is ook een ander beeld dan dat romantische, negentiende-eeuwse idee van de kunstenaar als geniale eenling en eenzame schepper – een ander beeld dus dan de ateliermythe die nu onderwerp is van een tentoonstelling in Teylers Museum. In de afgelopen vijftien jaar is de kunstwereld in rap tempo vercommercialiseerd. Kunstenaars zagen de prijzen voor hun werk exponentieel stijgen en hun afzetmarkt enorm toenemen. Elke stad kreeg zijn eigen biënnale en kunstbeurs. Kunstenaars die meer tijd doorbrachten in vliegtuigen dan in hun ateliers, bleken managers en boekhouders nodig te hebben om al hun tentoonstellingen in goede banen te leiden. Er moesten assistenten aan te pas komen om de vraag naar hun werk te kunnen bijbenen. Opeens waren kunstenaars – de meest succesvolle althans – bedrijven geworden.

Ik zal nooit mijn bezoek vergeten, twee jaar geleden, aan het hoofdkantoor van Damien Hirsts imperium Science Ltd, in een statig pand in de Londense wijk West End. Naast de imposante deur glommen de zilveren naamplaatjes van Hirsts diverse bedrijven in het zonlicht. Binnen was het alsof je de lobby van een modeblad of een modellenbureau betrad, met bloedmooie meisjes achter een hagelwitte balie. Zelf zetelde Hirst in een ruimte die wel wat weghad van de kamer van een bankdirecteur, met een fors bureau waarop een glimmend opblaasbeest van Jeff Koons stond te pronken. Op de vloer lag, tussen twee forse driezitsbanken in, een reusachtige metalen sculptuur van Bruce Nauman.

Hirst, die op dat moment net zijn diamanten schedel wereldkundig had gemaakt en miljoenen had verdiend door de veiling van enkele honderden kunstwerken, bevond zich op het toppunt van zijn roem. Hij had zo’n honderdtachtig man personeel voor hem werken in vijf verschillende ateliers, die wat betreft grootschaligheid wel wat aan fabrieken deden denken.

Damien Hirst bezat een postorderbedrijf, Other Criteria, dat boeken, T-shirts en posters van zijn kunstwerken verkocht. En hij had zojuist een eigen kledinglijn gelanceerd in de New York Fashion Week. Damien Hirst was, kortom, een merknaam geworden.

Hirst vertelde me in dat sjieke kantoorpand dat hij zich vooral schatplichtig voelde aan Andy Warhol, die met zijn Factory in de jaren zestig als een van de eersten kunst als een massaproduct in de markt zette. Goed zakendoen, vond Warhol, is de fascinerendste vorm van kunst. En dus rolden de zeefdrukken van soepblikken en colaflesjes bij hem aan de lopende band het atelier uit.

Hirst was niet de enige die Warhol dankbaar was. Steeds vaker kwam ik de afgelopen jaren bij atelierbezoeken in professionele bedrijfsruimtes terecht, waar de kunstenaar aan het hoofd stond van een team van kunstarbeiders. Ik zag ateliers met werkplaatsen die beter geoutilleerd waren dan menig kunstacademie.

Veel hadden hun eigen ‘expeditieafdeling’ – enorme loodsen vaak, waarin kunstwerken in houten kratten klaarstonden om verscheept te worden. Er waren ateliers met eigen fotostudio’s en lijstenmakerijen, of met museale departementen als ‘conservatie’ en ‘documentatie’.

In Nederland was Joep van Lieshout een van de eersten die zijn atelier, gevestigd in een oude Rotterdamse havenloods, halverwege de jaren negentig inrichtte als een grootschalige werkplaats.

Ook het Berlijnse atelier van Olafur Eliasson had veel weg van een geolied middelgroot bedrijf. De Deense kunstenaar, bekend van zijn reusachtige ondergaande zon in Tate Modern, biedt werk aan zo’n 35 medewerkers, onder wie ambachtslieden, technici, architecten en kunsthistorici maar ook babysitters en een kok. Gezonde maaltijden, gezamenlijk genoten aan een lange houten tafel, maken deel uit van Eliassons ‘company policy’.

Volgens de Belgische kunstenaar Wim Delvoye, die zelf grafisch vormgevers en architecten in dienst heeft en die zich er niet voor schaamt dat hij delen van zijn productie uitbesteedt aan lagelonenlanden als India of China, zijn kunstenaars de laatste jaren steeds ondernemender geworden. „Mijn generatie heeft stilaan gewerkt aan een ander kunstenaarstype”, zegt Delvoye. „Damien Hirst, Takashi Murakami, Ai Weiwei, Maurizio Cattelan – ze hebben ieder bijgedragen aan de emancipatie van de kunstenaar. Hirst omzeilde zijn galeries en stapte direct op veilinghuizen af. Vroeger stonden we als kunstenaars onderaan de voedselketen en waren het de museumdirecteuren en galeriehouders die de dienst uitmaakten. Nu zijn de rollen aan het verschuiven.”

Kunstenaars als Ai Weiwei en Takashi Murakami staan aan het hoofd van ondernemingen die wat betreft organisatiestructuur niet onderdoen voor de musea waar ze exposeren. „Bij Takashi’s aanpak vergeleken lijkt die van Warhol op een schooluitvoering”, schreef Scott Rothkopf in het tijdschrift Artforum over het kunstenaarschap van Murakami: „Warhol liefhebberde meer als een bohémien dan als een magnaat in zaken.”

Met zijn drie Japanse werkplaatsen, een eigen metaalgieterij en hoofdkantoren in New York en Tokio is Takashi Murakami een geval apart. Om meer invloed te krijgen en zijn belangen te bewaken heeft Murakami een bedrijf opgericht dat Kaikai Kiki Co Ltd heet. Daar worden kunstwerken gemaakt en merchandiseartikelen ontworpen. Maar het bedrijf treedt ook op als manager, agent en producent van zeven andere Japanse kunstenaars. Kaikai Kiki organiseert een kunstbeurs getiteld Geisai, en er wordt voor miljoenen dollars freelancewerk gedaan voor de mode-industrie, de televisie en muziekmaatschappijen.

In haar bestseller Seven Days in the Art World (2008) wijdt kunsthistorica Sarah Thornton een heel hoofdstuk aan Murakami’s ondernemerschap. Met een mengeling van afgrijzen en fascinatie beschrijft ze een bezoek aan zijn strengbeveiligde ontwerpbureau, waar de deur niet opengaat zonder vingerafdrukscan en een viercijferige code. Ook gaat ze langs bij een van Murakami’s schilderfabrieken, waar soms meer dan 35 werknemers bezig zijn aan één schilderij en waar nieuwkomers toelatingsexamen moeten doen door het schilderen van een atoomwolk.

„Zijn assistenten zagen eruit alsof ze net uitgefoeterd waren”, schrijft Thornton. „Toen ik arriveerde, waren er twaalf medewerkers in de witte ruimte ter grootte van een lange tennisbaan. Drie van hen werkten aan een drieluik van ronde schilderijen met grimmige bloemfiguren. Het drieluik moest over drie dagen klaar zijn voor een persconferentie. Sommige zwarte lijnen waren te dik en beverig: ‘niet strak genoeg’. Sommige kleuren waren te vaal en streperig: ‘niet dekkend genoeg’. En het drieluik moest ‘NU!’ af. Een van de schilders vertelde me dat ze regelmatig droomt dat Murakami tegen haar schreeuwt. ‘Hij is altijd kwaad’, legde ze uit. ‘De sfeer is meestal intens.’”

Je kunt je afvragen waar deze ontwikkeling stopt – is er een einde aan het groeiverhaal van de kunstenaar als zakenman? Takashi Murakami schopte het, als enig kunstenaar, in 2008 tot de Time Magazine-lijst van de honderd invloedrijkste mensen. Olafur Eliasson is onlangs verhuisd naar een nog groter atelier in Berlijn. En Wim Delvoye is druk bezig met de verbouwing van zijn kasteel bij Gent, waar hij een privémuseum wil vestigen. „Het is echt een ongelofelijke tijd”, zegt de Belgische kunstenaar. „Kunstenaars hebben alles: geld, macht, roem, glamour, populariteit, seks. Ze worden door Brad Pitt gekocht en mogen bij de koningin op bezoek.”

Maar het zou ook heel goed kunnen dat, nu de ergste hype op de kunstmarkt voorbij is, zelfs de meest succesvolle kunstenaars een stap terug moeten doen. Damien Hirst, die tot nu toe bewezen heeft de tijdgeest goed aan te voelen, ontsloeg afgelopen jaar al een groot deel van zijn personeel. Hij trok zich terug in een schuurtje op het terrein van zijn woonboerderij in Devon en is weer zelf begonnen met schilderen. In zijn eentje, als een romantisch kunstenaar. Liever dan in zijn steriele kantoor brengt hij nu de dagen door tussen stapels rotzooi en met verf besmeurde wanden – net als zijn grote held, Francis Bacon.