Griezelverhalen hertalen? Verkleuteren zult u bedoelen

Het gruwelkabinet. Dertien horrorverhalen uit de 19de eeuw. Athenaeum, Polak & Van Gennep, 192 blz. €19,95

De 19de-eeuwse literatuur staat te ver van ons af om nog vlot te kunnen lezen, laat staan proza en poëzie uit eerdere eeuwen. Voor die stelling is iets te zeggen. Ouderwetse stijl, woordenschat – je moet er wat voor doen. Ter bediening van wie dat niet wil of kan is er een nieuw gilde gesticht, dat van de hertalers. Zij brengen oude teksten over in het Nederlands van nu, om het contact met de schrijvers van toen te herstellen.

Een recente hertaling was die van Multatuli’s Max Havelaar (1860) door Gijsbert van Es. Eerder werd Woutertje Pieterse door Ivo de Wijs bij de moderne lezertjes teruggebracht. Beide heren kweten zich driest van hun taak, en zetten tevens onbarmhartig het redactiemes in Multatuli’s vermeende wijdlopigheid. Of zoals Pieter Steinz (over de Woutertje Pieterse-hertaling) het in deze krant uitdrukte: ‘de hogedrukspuit werd al te fluks gehanteerd’.

Nu is Het gruwelkabinet. Dertien horrorverhalen uit de negentiende eeuw, opnieuw verschenen, maar dan in de versie van Ivo de Wijs. De Wijs heeft ‘bekort en bewerkt’, zo zegt hij zelf, ‘niet hertaald of vertaald’. Zo. Voor de keuze van de teksten zijn literatuurhistorici Erica van Boven en Olf Praamstra verantwoordelijk.

Opgenomen zijn obscure teksten van grotendeels vergeten auteurs. Op zichzelf aardig. De kans op herontdekking bestaat. Theodoor M. Tromp afgestoft, Gijsbertus Stam, Jan de Vries, Boudewijn, J.B. Christemeijer, de anderen… Maar zouden we echt iets hebben gemist zonder de verzameling van De Wijs, Praamstra en Van Boven?

Ik vrees van niet. Al die 19de-eeuwse auteurs schreven voor een publiek dat lichter huiverde dan wij tegenwoordig nog doen. De lezer van 2010 is niet snel meer te choqueren, en verder dan een verzuchting ‘curieus’ komt geen van deze‘horrorverhalen’.

Enkele verhalen weten niettemin indruk te maken. Bijvoorbeeld ‘Het boze oog’ – verrassende verhaalwendingen – van de Vlaamse auteur Hendrik Conscience (1812-1883), maar dat is dan ook een literaire Vlaamse reus. De moeite waard is ook ‘De student en de gehangene’ van student- auteur Alexander Ver Huell (1822- 1897). Toevallig of niet: zij zijn nu net weer auteurs die een veel ‘moderner’ stijl hanteerden dan de anderen in Het gruwelkabinet.

Niet onaardig is de Zuid-Afrikaanse Zoeloegeschiedenis ‘Het spookhuis’ van Theod. M. Tromp, maar voor het merendeel bevat deze horrorverhalenverzameling gebeurtenissen die tot genrecliché zijn verworden. Je zou ze slechts lezen als de persoonlijke stijl van de auteur ze de moeite waard maakte. En precies daar staat Ivo de Wijs dan weer tussen. Hij bewerkte alles wat de auteurs aan literaire persoonlijkheid hadden tot de literaire stijl van Ivo de Wijs hoogstpersoonlijk. Dramatisch. Ik wijs op zinsneden als ‘een mooie fles wijn’, ‘het fijne van de zaak vertelt ’ie niet’, ‘vuur kan rare dingen doen met een scheepsbel’, ‘iedereen wist wat pastoors met zulke „nichtjes” uitspoken’, ‘we belden de kastelein van een nabijgelegen herberg uit bed’ (1839, de telefoon bestond nog niet), of ‘ik riep met een klein stemmetje om hulp’.

Dit is inderdaad geen hertalen. Het is verkleuteren. Vergeelde horror in fletse De Wijs-prozalapjes uitgesneden. We hadden het kunnen weten. Bewerker De Wijs eindigt zijn voorwoordje immers zo: ‘Het gruwelkabinet biedt u moord en zelfmoord, verminking en zelfverminking, wraak en wroeging, grafkelders en dodenakkers, galgen en guillotines, medische experimenten en zondige betrekkingen […], en wat al niet. Lees en huiver. En geniet. Houd uw adem in. En heradem. Gr… Gr… Griezelen is een lust.’

Mogen wij een volwassen emmertje?

Het gruwelkabinet is bewerkt en van een voorwoord voorzien door Ivo de Wijs. Verzameld door Erica van Boven en Olf Praamstra.