Gershwin hield vooral de pianola in de gaten

Thijs Bonger: Gershwin. Componisten Portretten. Home Academy. 2 cd’s. Luisterduur circa 2u20. € 14,95

Muziekkenner Thijs Bonger heeft een voorkeur voor wat minder grote componisten. Met zijn luisterboeken kweekt hij belangstelling voor kleinere grootheden als Mendelssohn of Saint-Saëns, en in zijn nieuwste ‘componistenprotret’ gaat het over George Gershwin. Hoewel je de indruk krijgt dat Bonger niet veel affiniteit heeft met het werk van de joviale en arrogante Amerikaan, levert het een aangenaam levendig minibiografietje op.

De jonge Gershwin was de zoon van joods-Russische immigranten: van een vader die graag naar opera (Caruso!) en operette (Gilbert & Sullivan) luisterde, en van een moeder die een piano in huis haalde alleen omdat haar zuster dat ook deed. Het lawaaiige Manhattan rond de eeuwwisseling weet Bonger sfeervol neer te zetten, bijvoorbeeld het moment waarop de spijbelende George in een winkelcentrum een pianola Rubinsteins ‘Melodie in F’ hoorde spelen – wat een diepe indruk dat op hem maakte. Leuk ook zijn de verhalen over hoe Gershwin zelf piano leerde spelen – door met zijn vingers de automatisch ingedrukte toetsen van pianola’s te volgen. En over zijn weigering, als schoolkind, om naar een vioolspelend klasgenootje te luisteren. Dat bleek de kleine Max Rosen te zijn die een Humoresque van Dvorak ten gehore bracht: door het openstaande raam van de aula hoorde de kleine George het alsnog.

Mooie verhalen. Bijna te mooi om waar te zijn. Misschien wel té mooi, want de mythologisering van zijn leven waaraan Gershwin zich graag te buiten ging, wordt meestal kritiekloos gevolgd (alleen het verhaal dat hij grotendeels autodidact zou zijn, wordt onderuit gehaald). Maar Bonger moet ook wel, want het leven van Gershwin is eigenlijk één groot succesverhaal zonder enige tragiek – of het moest zijn vroege dood zijn, hij stierf op zijn 38ste aan een hersentumor. Dat succes is aan de hoofdstuktitels al te zien: ‘Straatschoffie’, ‘Een baan’, ‘Voet tussen de deur bij de klassieke muziek’, ‘Succes op twee fronten’, ‘High society’, ‘Hollywood’.

Want zo ging het, vrijwel alles lukte. Hij verdiende al heel snel veel geld, kleedde zich ernaar (baby banker noemde zijn moeder hem spottend), werd behoorlijk gewaardeerd door zowel publiek als collega-componisten. En dat levert mooie anekdotes op: dat Maurice Ravel hem niet wilde lesgeven, is een bekend verhaal (‘U bent al een eersterangs Gershwin, waarom zou u een tweederangs Ravel willen worden?’). Hetzelfde geldt voor de reactie van Igor Strawinsky (‘Hoeveel verdient u? Nou, dan wil ik liever les van u hebben’). Minder bekend is Prokofjevs weigering – domweg omdat hij Gershwin een componist van niets vond.

Toch mist Bonger wel kansen. Hij zet Gershwin neer als succesvolle liedjesschrijver die erin slaagt aansluiting te vinden bij de klassieke muziek, maar hij had wel wat meer mogen zeggen over de musicals. Natuurlijk, dat genre heeft dankzij Joop van den Ende een andere vlucht genomen, maar toch hebben de Gershwins (broer Ira was tekstschrijver) een paar behoorlijk virtuoze en invloedrijke musicals gemaakt. En wat die ‘aansluiting’ betreft: het maakte Gershwin niet uit of hij met operettecomponist Franz Léhar of met de Weense Schoolcomponist Alban Berg sprak, hoewel Gershwin, aldus Bonger, ‘bang’ was voor alles naar hogere cultuur zweemde. Je komt er niet achter hoe dit nu echt zat.

Dat kameleontische leven had een mooi verhaal kunnen opleveren, maar door de erg losse structuur (‘daarover straks meer’, zegt Bonger een keer of 5) blijft het in het midden. En dan vallen de gemakzuchtige beschrijvingen op. Zo worden de field recordings van Alan Lomax omschreven als ‘de primitieve cultuur van de lokale bevolking’ – het gaat hier om de bronnen van de blues waarin Gershwin zich voor Porgy & Bess had verdiept – en Schönberg wordt zuinigjes als ‘een componist van zeer ingewikkelde muziek’ aangeduid. Maar wat er aan verhaal ontbreekt, wordt ruimschoots gecompenseerd door muziekfragmenten, en dan is het genieten geblazen: van Cubaanse muziek uit de jaren dertig, prachtige opnames van pianorollen, maar ook live-opnames van ‘Rhapsody in Blue’. Als woorden geen overtuigend geheel vormen, dan doet de muziek het wel.