'Gedragscode geldt niet voor mensen zoals ik'

Ex-directeur Willem Scholten van het Rotterdamse Havenbedrijf is opvallend openhartig in zijn omkopingszaak.

Rechters stellen het in de regel op prijs als verdachten in een strafzaak hun eigen verhaal vertellen. Dat wekt begrip. Maar of Willem Scholten het zichzelf gemakkelijker heeft gemaakt in de omkopingszaak rond het Rotterdamse Havenbedrijf is de vraag.

Na vier zittingsdagen in de afgelopen twee weken formuleerde justitie gisteren haar eis: drie jaar onvoorwaardelijke celstraf voor de grootste ambtelijke omkoping ooit. Hij zou voor 1,2 miljoen euro steekpenningen hebben aangenomen van Joep van den Nieuwenhuyzen, de eigenaar van RDM.

Scholten vertelde voor de rechtbank Rotterdam uitvoerig en ongeremd over zijn beweegredenen om als directeur van het Havenbedrijf in de jaren 2002-2004 in het geheim voor ruim 180 miljoen aan garanties te verstrekken voor bankleningen aan het wankele concern van zijn klant én vriend Van den Nieuwenhuyzen. Hij antwoordde steeds geduldig en beleefd op de vele vragen die de rechters en officieren van justitie hem stelden. Slechts heel zelden beriep hij zich op zijn zwijgrecht. Zijn advocaat greep nooit in.

Behalve dat nogal wat van Scholtens woorden op de zitting haaks stonden op zijn eerdere verklaringen tegenover de FIOD kregen de drie rechters én de toeschouwers op de publieke tribune een aardige indruk van het zelfbeeld van de verdachte.

Willem Scholten was in de jaren 1991-2004 – na het uitbarsten van het ‘Havenschandaal’ werd hij op staande voet ontslagen – op papier niet meer dan een hoge gemeenteambtenaar, het ‘hoofd van dienst’ van het Gemeentelijk Havenbedrijf. Op 1 januari 2004 werd deze dienst verzelfstandigd tot een naamloze vennootschap, maar directeur Scholten hield grosso modo dezelfde rechten en bevoegdheden. „U noemt mij steeds maar ambtenaar”, reageerde Scholten geïrriteerd tegen de twee officieren, „maar zo voelde ik mij niet.”

Scholten zag zichzelf meer als een ondernemer, die op een commerciële manier het Havenbedrijf aanstuurde. Zo kon hij zich meten met de geslepen zakenmannen die hij als klant voor de haven wilde aantrekken of behouden. Vriendschappelijke banden was wat sterk uitgedrukt, maar hij opereerde graag „dicht op de markt.”

Het behartigen van publieke belangen in een commerciële omgeving ging volgens Scholten het beste als de politiek zich er niet mee bemoeide. Enerzijds verweet hij de meeste havenwethouders die hij gediend heeft gebrek aan kennis: „Ik moest vaak uitleggen dat links de Maasvlakte ligt en rechts de haven.” Anderzijds vond hij dat de Coolsingel maar matig geïnteresseerd was in zijn werk. „Het enige dat men belangrijk vond was de jaarlijkse afdracht uit onze winst.”

Sommige dingen konden ook maar beter niet bij het stadsbestuur bekend zijn. Transparantie, zei Scholten, verdraagt zich niet met de kortingen op havengelden die hij zijn klanten soms bood.

Het was evenmin verstandig, antwoordde Scholten eerlijk, om de omstreden garanties aan RDM in de jaarrekening op te nemen. Als je op alle risico’s voorzieningen treft „dan krijg je een balans die er toch niet meer uitziet?”

Dat hij als ambtenaar vanaf 2000 over een geheime rekening in Zwitserland beschikte, vindt Scholten niet merkwaardig. Hij had hem naar eigen zeggen al jaren eerder geopend om bonussen te stallen die hij had verdiend bij zijn vorige werkgever, Smit Internationale. Dat hij er in de jaren 2001-2002 in drie tranches ruim 1,2 miljoen euro op kreeg overgemaakt van RDM betwist Scholten niet, maar dat geld was volgens hem uiteindelijk bestemd voor RDM’s Egyptische lobbyist Mohammed Shilbaya. Maar dat Scholten hoe dan ook aan dat geld verdiend heeft (hij ontving er rente op en dividend, en deed er voor ruim 4 ton betalingen mee) voelde toch niet als gift, laat staan als omkoping. Net zo min als het appartement in Antwerpen van Van den Nieuwenhuyzen, waar Scholten met zijn vriendin jarenlang gratis gebruik van maakte.

Had het Gemeentelijk Havenbedrijf niet ook een code voor goed gedrag, wilde de rechter weten. Ja, die had Scholten zelf in 1996 ingevoerd. Ambtenaren mochten geen cadeautjes aannemen van meer dan 75 gulden. Maar, zei Scholten in eerste instantie: „Die geldt niet voor mensen zoals ik.” Hij werkte zich immers uit de naad voor de haven en de stad, hij was een bekende Rotterdammer en hij lag in een vervelende echtscheiding, die nog niet publiek was. Dat hij met zijn maîtresse naar Antwerpen uitweek was dus logisch. „Ik probeerde eventjes te vluchten.”