Franse hel op het platteland

Esther Verhoef: Déjà vu. Anthos, 320 blz. € 19,95

Met stip op één in de bestsellerlijst: de nieuwe Esther Verhoef is een goed geschreven thriller van een schrijfster die in potentie de Nederlandse Ruth Rendell is, maar in dit boek wederom kiest voor het bekende recept. Een effectief boek dat niettemin ook Déjà lu had kunnen heten. Het zal vele lezers niet misnoegen, maar het format van wat men ‘vrouwenthrillers’ ofwel ‘oestrogeenthrillers’ is gaan noemen, is inmiddels ongeschikt voor wie verrast wil worden. Verhoefs schrijfstijl maakt echter veel goed.

In Déjà vu besluit de 27-jarige, zojuist ontslagen journaliste Eva om af te reizen naar het Franse boerderijtje van haar vrijgevochten vriendin Dianne, een paar dagen eerder dan ze hadden afgesproken. Eva, die Dianne al een tijdje niet meer kan bereiken, neemt aan dat het wel goed zit. Dat zit het niet. Ze arriveert in een mooi geschreven plattelandshel. Een verweerde boerderij – niet pittoresk maar armoedig – te midden van vale bossen nabij een triest dorpje bewoond door Franse boeren – geen joviale maar xenofobe. Van Dianne ontbreekt ieder spoor. Verhoefs beschrijving van Eva’s in nevelslierten gehulde dagenlange verblijf op dit ellendige landgoed is uitmuntend en zou de opmaat kunnen zijn voor een zwart psychologisch drama à la Rendell, zeker nadat de boeren in de omgeving zich met Eva’s verblijf bemoeien.

Dat Déjà vu dat niveau niet haalt, is niet te wijten aan gebrek aan talent van Verhoef, die samen met Berry Verhoef onder het pseudoniem Escober snoeiharde en psychologisch complexe actiethrillers schrijft; een zeer goede psychologische thriller zit zeker in haar pen. Dat Déjà vu dat niet is, hangt samen met de keuze voor de verplichte ingrediënten van het format der vrouwenthrillers. Alweer is er sprake van een onzekere heldin die haar zelfrespect hervindt, een vluchtig vriendje dat zich ontpopt tot modelmacho, bronstige modelmacho’s die zich ontpoppen tot psychopaat en enkele moderne sociale en maatschappelijk ankers die de lezer erg aan 2010 en zichzelf doen denken. Allemaal valide dramatische middelen, die in vrouwenthrillers zo opzichtig, plichtmatig en voorspelbaar worden ingezet dat dit irritatie wekt – of een weldadig gevoel van herkenning, gezien de verkoopcijfers.

Het is spijtig dat deze nieuwe thrillerconventies, populair geworden door het succes van Nicci French, de psychologische thrillers van schrijfsters als Ruth Rendell, Anne Holt en Sophie Hannah verdringen. Om van half vergeten auteurs als Patricia Highsmith en Celia Dale nog te zwijgen. Zij schrijven universele thrillers over liefde, vriendschap en haat die geen vrouwenthrillers worden genoemd, hoewel je dezelfde thema’s kunt aanwijzen. Hun sjabloonloze manier van schrijven, wars van marktcondities, levert thrillers op die meer onvoorspelbaar en beklemmend en grappig genoeg minder seksistisch zijn dan de huidige stroom oestrogeenthrillers.