De farce van islam- SS'ers

Sean McMeekin: The Berlin- Baghdad Express. Allen Lane, 461 blz. € 34,-

Wilhelm II, keizer van Duitsland, riep zichzelf in 1898, na een rondreis door het Midden-Oosten, in Damascus uit tot beschermer van de islam. Daarmee legde ‘hadji’ Wilhelm de basis voor een ‘half-gekke imperiale onderneming’: de mobilisatie van moslims voor een ‘jihad’ tegen het Britse imperium, met 100 miljoen moslims de grootste islamitische staat ter wereld. Om de Wilhelminische Drang nach Osten mogelijk te maken, legden de Duitsers een spoorlijn aan die Duitsland via Istanbul en Bagdad rechtstreeks met Basra, de havenstad aan de Perzische Golf, zou verbinden. Duitse militairen hadden rond de eeuwwisseling al veel invloed in Istanbul, de hoofdstad van het bijna failliete Ottomaanse rijk. Met beloften, militaire steun en veel geld kreeg Duitsland in november 1914 het Ottomaanse rijk als bondgenoot in de Eerste Wereldoorlog.

De grotendeels vergeten strijd aan het oostelijk front van WO I – om het Suezkanaal, het Midden-Oosten en de Kaukasus – is het onderwerp van dit voortreffelijke, uitvoerig gedocumenteerde boek van Sean McMeekin, een in Ankara wonende Amerikaan. De spoorlijn naar Bagdad, vanaf 1903 aangelegd en betaald door de Duitsers, was daarbij overigens van beperkte betekenis.

De geestelijke vader van de jihad tegen Duitslands christelijke – en joodse – vijanden was Max Freiherr von Oppenheim, een man vervuld van haat, tegen de Britten, Fransen en Russen, en vooral tegen zichzelf. Van zijn hardnekkige, door Berlijn ruimhartig gefinancierde pogingen om de moslims als jihadi’s voor de Duitse zaak in de oorlog in te zetten, kwam per saldo weinig terecht. Oppenheim raakte later bevriend met de GrootMoefti van Jeruzalem, een beruchte jodenhater, die hij bij de nazi’s introduceerde. De moefti hielp Himmler bij de vorming van moslim-SS-eenheden die in WO II 12.600 van de 14.000 joodse inwoners van Bosnië vermoordden.

McMeekin beschrijft gedetailleerd de ambitieuze, grotendeels vruchteloze expedities die Oppenheim organiseerde om jihadstrijders te mobiliseren – naar Libië, Eritrea, Mesopotamië, de Hedjaz (Mekka) en zelfs Afghanistan. Het zijn verhalen van opoffering, ontberingen, en omkoperij waarin ook de Britten bedreven waren. En vaak ook van farce: bedoeïenen die Oppenheims medewerkers rekruteerden, bleken militair nutteloos – ze riepen zo luid ‘Allahu Akbar’ dat ze hun posities verraadden.

McMeekin is hard in zijn oordeel over de Duitsers die de reactionaire islam tot hun bondgenoot maakten, en daarmee kiemen zaaiden voor de haat die ten grondslag ligt aan veel catastrofes in het Midden-Oosten. Hij is bijna even kritisch over de Britten die seculiere ‘jonge Turken’ niet vertrouwden omdat ze joodse connecties zouden hebben. De winnaars van het ‘dramatische‚ grote spel in het oosten’ zoals hij het noemt, zijn volgens hem de Turken en de bolsjewieken die verloren gebieden en hun onafhankelijkheid terug wonnen.