De eeuwigdurende beat

Mannen werden vrouwelijker, vrouwen kwamen op voor hun rechten, homo’s emancipeerden dansend. Hoe stil was de discorevolutie van de jaren zeventig eigenlijk? vraagt ex-dj Bernard Hulsman zich af naar aanleiding van een nieuwe studie.

Alice Echols: Hot Stuff. Disco and the Remaking of American Culture. W.W. Norton & Company, 338 blz. € 27,-

Disco is terug, stelt Alice Echols vast aan het einde van Hot Stuff. Disco and the Remaking of American Culture. Lady Gaga, onlangs door het Amerikaanse weekblad Time uitgeroepen tot de invloedrijkste popster van deze tijd, is helemaal seventies disco. Niet alleen is haar muziek stevig geworteld in de disco, ook hult ze zich wel eens in een discobaljurk. En de discobal is, zo weet iedereen, hét symbool van het discotijdperk.

Lady Gaga staat niet alleen, vindt Echols, Amerikaans hoogleraar amerikanistiek die eerder een studie over de jaren zestig schreef en een biografie van Janis Joplin. Allerlei muziekpraktijken uit de disco, zoals samples en remixes of, in de gewichtigere, postmoderne termen waar Echols van houdt: deconstructies en assemblages, zijn gemeengoed in de hedendaagse muziek. Bovendien is oude disco nu weer overal te horen. Op trouwpartijen en andere feesten voor alle leeftijden zijn het vooral disconummers van 35 jaar geleden die de feestgangers aan het dansen brengen, merkt ze op, en ook in winkels hoor je die verrassend vaak.

Voor Echols tot de conclusie komt dat de discofobie nu eindelijk voorbij is, heeft ze in haar studie uitgebreid beschreven hoe disco van begin af aan werd verguisd door de liefhebbers van rock en popmuziekcritici. Rock is kunstzinnige popmuziek, vonden critici, en disco is de fastfood van de popmuziek, geconsumeerd door hedonistische leeghoofden. Ze deden erg hun best om de denigrerendste omschrijving van discosterren te verzinnen: de grootste discoster, Donna Summer, werd bijvoorbeeld de ‘Teutoonse ijskoningin’ en de ‘Linda Lovelace van de popmuziek’ genoemd. Hoogtepunt van de discoverguizing was Disco Demolition Night op 12 juli 1979. Toen werden op initiatief van ex-dj Steve Dahl 50.000 discoplaten vernietigd in een honkbalstadion in Chicago. Wie een discoplaat meenam kreeg korting op zijn kaartje.

Sluipenderwijs

Met Hot Stuff, genoemd naar een hit van Donna Summer (én een funky nummer van de Rolling Stones), wil Echols laten zien dat disco niet het escapistische, supercommerciële fenomeen was waarvoor de critici het hielden. Net als rock in de jaren zestig was disco een revolutie. Alleen vond die in stilte en sluipenderwijs plaats, schrijft ze.

Hot Stuff is de voltooiing van de rehabilitatie van disco – of gezien de voortdurende verguizing eigenlijk de verlate erkenning. Eerder al wezen auteurs als de Engelse dj en radiopiraat Matt Mason op de grote veranderingen in de jeugdcultuur die disco had gebracht. In Piraterij, zijn pleidooi voor het vrije (her)gebruik van allerlei kunstuitingen, ziet ook hij in disco de basis voor de huidige sample-cultuur. Ook wijst hij erop dat in de vroege jaren zeventig een ongekende cross-over plaatsvond: homo’s en hetero’s, blanken en zwarten dansten met elkaar in de discotheken.

In Hot Stuff gaat Echols, die zelf omstreeks 1980 dj was, nog een stap verder. Ze laat zien dat disco niet alleen de popmuziek blijvend veranderde, maar de hele Amerikaanse cultuur. De stille revolutie begon in homobars. Daar sleutelden omstreeks 1970 de klanten aan de jukeboxen, vol soul- en rhythm & blues-nummers, om de stiltes tussen de verschillende platen zo kort mogelijk te maken. Later, toen dj’s met twee draaitafels de rol van de jukebox hadden overgenomen, werd het de kunst om twee platen zo vloeiend in elkaar te laten overlopen dat de dansers niet hoefden stil te staan om het nieuwe ritme op te pikken. Weer later werden speciaal voor dit doel platen gemaakt met langdurige percussie-breaks: de discothèque rock, zoals het tijdschrift Rolling Stone het noemde, was geboren (zie inzet).

Van menging van hetero’s en homo’s was volgens Echols in de homobars overigens geen sprake. Zodra hetero’s en vrouwen op de nooit stoppende dansmuziek afkwamen, sloten de homobars hun deuren voor hen of openden de homo’s elders een nieuwe club exclusief voor zichzelf. Toch waren dansen en disco belangrijk voor de homo-emancipatie. Eind jaren zestig werden in de Verenigde Staten nog duizenden mannen gearresteerd die met elkaar dansten. Maar toen de politie in 1970 de Stonewall Club in New York binnenviel, leidde dit tot een veldslag. Het Stonewall-incident is volgens Echols de waterscheiding: hierna werd het steeds gewoner dat mannen met elkaar dansten op de eeuwigdurende beat.

Sex machine

Hoewel hetero’s en homo’s in verschillende clubs dansten, had disco toch grote invloed op de Amerikaanse mannelijkheid. Anders dan de sex machine James Brown waren de proto-discomusici Isaac Hayes en Barry White in de jaren zeventig love men, hard én teder tegelijk, met aandacht voor de wensen van vrouwen, legt Echols uit. Ook echte discogroepen als The Stylistics hadden vrouwvriendelijke nummers, al werd hun zachtheid door de discocritici vaak verward met homoseksuele neigingen. Als doorslaggevend bewijs voor de vrouwvriendelijkheid van disco onderwerpt Echols Saturday Night Fever uit 1977, de film die zorgde voor de doorbraak van disco naar het grote publiek, aan een uitvoerige analyse. Ze stelt vast dat Tony Manero, de hoofdfiguur die wordt gespeeld door John Travolta, niet de macho is die hij op het eerste gezicht lijkt. Achter zijn bravoure en misogyne oprispingen gaat een onzekere, lieve jongen schuil die wordt overvleugeld door zijn onbereikbare liefde.

Orgasmes

Ook voor de vrouwenrechten heeft disco veel betekend. Donna Summer mocht dan worden gezien als een sekspop die in het 17 minuten durende Love To Love You Baby 22 of 23 orgasmes had, andere zangeressen, zoals Chaka Khan en de groep Labelle, predikten het feminisme. Nu kun je van Chaka Khan en Labelle, wier werk Echols uitgebreid bespreekt, afvragen of dit wel discozangeressen in strikte zin waren – Khan was eerder een funksoulster en Labelle had met een ouderwets New Orleans-nummer (‘Lady Marmalade’) hun grootste hit. Maar het is waar: hun nummers werden in alle discotheken ter wereld gedraaid.

Zo zorgde disco in de jaren zeventig voor een omwenteling op verschillende fronten: dansend emancipeerden de homo’s, werden harde heteromannen zachte liefdesmannen en kwamen vrouwen voor hun rechten op. Echols zegt het niet met zo veel woorden, maar eigenlijk laat Hot Stuff maar één conclusie toe: de stille discorevolutie van de jaren zeventig was veelomvattender dan de rumoerige rockrevolutie van de jaren zestig.