Betoveringen in een blokkendoos

In een wirwar van werkelijkheid, droom en valse herinnering laat de Angolese auteur Agualusa weinig heel van toekomstig Afrika. Gelukkig is er nog zijn humor en groteske grilligheid.

José Eduardo Agualusa: Het labyrint van Luanda. Uit het Portugees vertaald door Harrie Lemmens. Meulenhoff, 334 blz. € 19,95

Het is 2020 wanneer er in Angola plotseling een vrouw uit de hemel valt. De voornaamste getuige daarvan is de schrijver en documentairemaker Bartolomeu Falcato. Hij is de hoofdpersoon van de roman Het labyrint van Luanda van de Angolese schrijver José Eduardo Agualusa, die met dit boek zijn visie geeft op de toekomst van zijn land.

Die toekomst ziet er niet opwekkend uit. De oliebronnen zijn opgedroogd, maar de diamanthandel brengt nog altijd fortuinen op voor wie in de maatschappij op de goede plaatsen zitten. Voor wie dat niet zo is, liggen armoede en verloedering in het verschiet. De hoofdstad Luanda heeft een korte tijd van overvloed en ultramoderne bouwwoede gekend, maar is inmiddels alweer aan het verkrotten.

Rijken wonen in luxueuze torenflats op de hoogste verdiepingen, zorgvuldig afgeschermd van de lagere niveaus en ondergrondse parkeergarages waar de anarchie heerst van criminaliteit, druggebruik en prostitutie. Corruptie en geweld houden deze chaos nog enigszins in het gareel. De vrouw die uit de hemel valt, een voormalige miss Angola, is een van de slachtoffers. Zij wist te veel en kon haar mond niet houden.

Tegen die achtergrond vertelt Agualusa het verhaal van Falcato’s zoektocht naar de waarheid achter haar dood, het corruptienetwerk dat erachter schuilgaat en zelfs de mythe over een zwarte engel die met dat alles in verband zou staan. Die waarheid is niet gemakkelijk te vinden – niet alleen omdat corrupte regimes haar nu eenmaal zoveel mogelijk uit zicht proberen te houden, maar ook omdat waarheid, mythe en verdichting in Afrika van oudsher hecht vervlochten zijn.

Net als Agualusa’s eerder in het Nederlands verschenen romans De vrouwen van mijn vader en De handelaar in verledens is ook dit boek opgebouwd rond die verwikkeling van werkelijkheid, droom en valse herinnering. In de wirwar van de personages die aan het woord komen, korte beschouwingen over liefde en angst, citaten uit oude verslagen van ontdekkingsreizigers en zelfs een verdwaalde haiku moet de lezer zelf zijn weg weten te vinden.

Het labyrint van Luanda is een roman als een blokkendoos, waaruit langzamerhand toch een tamelijk overzichtelijk verhaal naar voren komt. Tegen het einde van het boek vallen veel elementen uit de plot op hun plaats, op een misschien wel wat te ontnuchterende wijze. Na alle betoveringen en al dit vertellersvernuft blijkt de waarheid nogal banaal en je vraagt je af waarom die zo ‘literatuurderig’ moest worden verteld.

Het labyrint van Luanda is Agualusa’s meest pessimistische boek tot nu toe, al houden zijn humor en gevoel voor het groteske de grimmigheid draaglijk. Prachtig parodieert hij de Afrikaanse kwakzalver die zich voor zijn geestenbezweringen beroept op een slagingskans van maar liefst 105 procent – en die aan het eind van het boek minister van Cultuur geworden blijkt te zijn. De commentaren van een regeringsgezinde krant staan, zo schrijft hij, zo vol uitroeptekens dat de tekst wel een stekelvarken lijkt. ‘Je moest de krant heel voorzichtig vasthouden om je niet te prikken.’

Maar achter die humor en de meanderende omzwervingen waarmee José Eduardo Agualusa zijn verhaal vertelt is zijn persoonlijke bekommernis duidelijk merkbaar. In zijn toekomstvisie hekelt hij de weg die Angola na de onafhankelijkheidsverklaring is ingeslagen en die niet alleen de corruptie opstuwde tot grote hoogte, maar die zich ook tegen elke vooruitgang lijkt te keren.

Weinig heeft hij op met de ideologie van de Afrikaanse ‘eigenheid’ die wreedheid en bijgeloof tolereert omdat die nu eenmaal tot het erfgoed zouden behoren. En al evenmin moet hij iets hebben van het nieuwe racisme dat afstammelingen van blanke kolonisten (zoals hijzelf) weigert als volbloed Angolezen te erkennen. Met de onafhankelijkheid droomden velen van een toekomst van vrijheid en gemeenschap, maar enkele decennia later lijkt die droom in zijn tegendeel te zijn omgeslagen.

Agualusa heeft dan ook veel werkelijkheid door de fantasie van zijn toekomstvisioen gemengd. De verslagen over heksenverbrandingen die hij in zijn boek heeft opgenomen zijn authentiek, zo schrijft hij in zijn nawoord, en die praktijk is opnieuw terrein aan het winnen. Het labyrintische gekkenhuis dat hij beschrijft en waarin patiënten worden vastgeketend aan motorblokken, is geïnspireerd op een werkelijk bestaande instelling in Luanda.

En als klap op de vuurpijl: in het schrijvershuis aan het Amsterdamse Spui waar hij Bartolomeu Falcato aan het eind van het boek onderdak laat vinden, heeft ook hijzelf enige tijd gewoond. Hier is de schrijver zijn eigen hoofdpersoon geworden. Falcato vertrok uit Angola omdat ook hij uiteindelijk te veel wist en zich niet met de belofte van een mooie baan (directeur van de Nationale Bibliotheek) de mond wilde laten snoeren .

Zo ernstig is het met Agualusa zelf niet gesteld, maar zijn waarschuwing is er niet minder dringend om. Er dreigt iets te gaan rotten in zijn land van herkomst en Het labyrint van Luanda is daar het mene tekel van.