Bedoeïenen moeten wijken voor parken

Het Israëlische leger sloopt Bedoeïenendorpen in de Negev. Ze zouden illegaal zijn. Maar de bewoners zeggen dat ze al voor de geboorte van de staat Israël bestonden.

De kurkdroge wind blaast het zand in wervelstormen omhoog. De hete kolen die een pot koffie verwarmen, smeulen op. De vijf dorpsbewoners die in een kring in een schuur van golfplaat bij elkaar zitten, vernauwen hun oogleden tot spleetjes. Ze kruipen wat dieper in hun plastic stoel weg.

„Alleen deze schuur hebben we nog”, zegt sjeik Musbah al-Turi, een man met een snor als een officier uit de Eerste Wereldoorlog. „En de zes begraafplaatsen. Voor iedere clan één.” Het Bedoeïenendorp Al-Arakib, in een dorre vallei in de Israëlische Negev-woestijn, is grondig verwoest. De huizen, constructies van hout, golfplaat en soms van steen, liggen in puin om de mannen heen. Over de ruïnes is zand gestort, om te voorkomen dat iemand de resten nog als bouwmateriaal kan gebruiken. De paar honderd bewoners slapen ‘s nachts in de grote schuur, of in geïmproviseerde tenten.

In de vroege ochtend van 27 juli kwamen ze voor het eerst, de jeeps en bulldozers van het Israëlische leger. De bewoners werden uit hun huizen gehaald, waarna in enkele uren niets van het dorp overbleef. De puinhopen verraden dat de huizen in haast zijn verlaten. Niet alle spullen konden de inwoners nog meenemen. Er liggen auto’s, kleren, speelgoed en schilderijen onder het zand verborgen.

Toen de bulldozers vertrokken waren, begonnen de inwoners met de herbouw van hun dorp. Ze verzamelden alles wat nog bruikbaar was, en bouwden tenten en schuurtjes. Een week later kwam het leger nog een keer. Dit herhaalde zich nog eens. En nog een keer. Al-Turi: „Het is vijf keer gebeurd. We blijven koppig. We bouwen het dorp net zo vaak op totdat we hier mogen blijven.”

De sloop van het Bedoeïenendorp Al-Arakib is een symptoom dat wijst op een toegenomen spanning tussen de Israëlische autoriteiten en de oorspronkelijke Bedoeïenenbevolking, die vooral in de verlaten en ruige Negev-woestijn woont. Eeuwenlang zwierven de voorouders van deze Bedoeïenen in het gebied waar nu Israël, Egypte en Jordanië liggen. Sinds het begin van de twintigste eeuw zijn de meeste stammen op een vaste plek gaan wonen. Al-Arakib werd in 1914 gesticht door zes families, toen het Ottomaanse Rijk heerste over de Negev.

Na de stichting van Israël, in 1948, nam de jonge staat het overgrote deel van de woestijn in bezit als staatsgrond, ook de plek waar Al-Arakib staat. Israël heeft al van jongsaf grote plannen met de Negev. De regering en het Joods Nationaal Fonds stimuleren migratie van joodse Israëliërs naar de woestijn, en willen er grote parken stichten.

Het probleem van het dorp Al-Arakib is het probleem van enkele tientallen andere Bedoeïenendorpen. Sommige dorpen hebben een legale status gekregen, maar circa veertig zijn volgens de Israëlische wet illegaal en mogen gesloopt worden.

Ook het volgens Israël illegale dorp Hura werd deze week bezocht door bulldozers. Met zijn mobiele telefoon belt sjeik Al-Turi de hele dag met nabijgelegen gemeenschappen, of ook daar iets gebeurt. Israëlische mensenrechtenorganisaties hebben geprotesteerd tegen de sloop van de huizen. Israël zegt dat het naar de wet handelt, en dat de inwoners een alternatief is geboden.

Op de plek waar nu Al-Arakib ligt, moet een uitbreiding komen van een nabijgelegen nationaal park. De bewoners hebben van de regionale autoriteiten te horen gekregen dat ze moeten verhuizen naar Rahat, een nieuw, door Israël gebouwd modelstadje. Daar kunnen de Bedoeïenen in huizen met elektriciteit wonen, hun kinderen naar school sturen, kortom: hun traditionele levensstijl opgeven.

De inwoners van Al-Arakib peinzen er niet over. Al-Turi: „Hier heb ik documenten die aantonen dat wij hier al dertig jaar voor de stichting van Israël woonden. Bovendien zijn we nu burgers van Israël. We kunnen dus niet illegaal zijn. Weggaan zou betekenen dat we de graven van onze voorouders in de steek laten.”

Intussen wordt het leven steeds moeilijker voor de Bedoeïenen, meestal kleine boeren. Wat ze verbouwen – meloenen, tomaten en olijven – verkopen ze op marktjes in de buurt. Maar de laatste maanden is het niet meer gekomen van handel.

Aziz Abu Mdegham, een vader van vijf kinderen, is bezig een tent te op te richten naast de plek waar eerst zijn stenen huis stond. „We hebben geen tijd om groenten te verbouwen”, zegt hij. De velden in de vallei liggen er dor bij. Nog even en de armoede zal de Bedoeïenen alsnog verdrijven.

„Ik verwacht dat deze tent de komende dagen weer gesloopt gaat worden”, zegt Abu Mdegham met berusting in zijn stem. „Maar zolang ik tentzeil blijf vinden, kan ik mijn huis herbouwen.”