Vattenfall vertrouwt op kernenergie

Dertig jaar geleden besloot Zweden zijn kerncentrales te sluiten, uiterlijk eind dit jaar. Maar als de centrum-rechtse regering zondag de verkiezingen wint, blijven ze open. Sterker, dan worden waarschijnlijk nieuwe kerncentrales gebouwd.

Wie na een rit door de Zweedse bossen plots de kernreactoren van Forsmark voor zich ziet opdoemen denkt een moment dat hij in de toekomst is aanbeland. Zo detoneren ze met de omgeving, zo monsterlijk kil staan ze daar. Tegelijk ademt de aanblik – van gedateerd futurisme – de jaren tachtig. Het zijn gevaarten op leeftijd.

De drie reactoren in Forsmark werden tussen 1980 en 1985 voltooid. Dat was kort na het ongeluk met de Amerikaanse kerncentrale Three Mile Island (1979), waarbij radioactieve stoffen vrijkwamen. En kort nadat de Zweden hun overheid in 1980 per referendum opdroegen kernenergie geleidelijk te vervangen door duurzame alternatieven. Het parlement besloot daarop dat alle nucleaire reactoren uiterlijk in 2010 dicht moesten.

In Forsmark draaien ze nog volop. En ook de drie kerncentrales in Oskarshamn, in het zuidoosten, en de vier reactoren in Ringhals, in het zuidwesten, zijn in bedrijf. Ze draaien waarschijnlijk nog dik tien jaar. En de kans is aanzienlijk dat er daarna nieuwe komen.

In juni van dit jaar stemde het parlement nipt in met een voorstel dat het mogelijk maakt nieuwe kernreactoren te bouwen. Want er zijn nog nauwelijks alternatieven voor kernenergie, dat ongeveer 45 procent van de elektriciteitsvraag dekt. De rest van de redenering was: de levensduur van een kernreactor is minstens veertig jaar, dus in 2020 zit Zweden mogelijk zonder. De bouw van een kernreactor duurt ongeveer tien jaar. Er dus is haast geboden.

Toch ging de stemming niet zonder slag of stoot. De huidige centrum-rechtse regering had bij haar aantreden in 2006 beloofd voorlopig niet aan het besluit uit 1980 te morrelen. Daarbij had de Centrumpartij, die in de regering zit, zich altijd fel tegen kernenergie verzet. Het debat hierover in het parlement, de Riksdag, duurde zeker zes uur. Het resultaat: een compromis.

De regering zal de bouw van nieuwe kernreactoren niet subsidiëren, maar wel onderzoek naar duurzame energie financieren. De reactoren mogen alleen worden gebouwd ter vervanging van oude en de wet zal pas op 1 januari – na deze regeerperiode – ingaan. Het voorstel werd met 174 tegen 172 stemmen aangenomen.

De kiezers helpen de centrum-rechtse coalitie aanstaande zondag waarschijnlijk opnieuw aan een meerderheid. Dat ze de regering niet betichten van volksverlakkerij – vanwege het negeren van een oud referendum en het breken van een recente verkiezingsbelofte – komt volgens Francis X. Johnson, onderzoeker bij het Stockholm Environment Institute, omdat de publieke opinie over kernenergie sinds de jaren tachtig radicaal is gedraaid. Maakten de Zweden zich toen zorgen over de gevaren van radioactief afval, nu hebben ze de mond vol van CO2-uitstoot. Kernenergie, waarbij relatief weinig koolstofdioxide vrijkomt, heet plots een klimaatvriendelijk alternatief voor kolen en gas.

Inhoudelijk zijn de argumenten voor en tegen kernenergie de laatste dertig jaar nauwelijks veranderd. Wel zijn sommige argumenten belangrijker geworden dan andere, zegt Johnson. Er is een ernstig ongeluk nodig, zoals in Tsjernobyl (1986), om de gevaren van kernenergie terug op de agenda te krijgen, zegt hij. „Je hoort nu veel dat kernenergie zo goedkoop is. Maar niemand durft de prijs te berekenen van een kernramp. En wat kost de opslag van kernafval op héél lange termijn?”

Voor atoomafval is in Zweden nog geen ‘eindbestemming’ gevonden. De staven uranium die in Forsmark zijn gebruikt blijven daar nog een jaar in een waterbassin liggen, voor ze per boot naar een tijdelijke opslagplaats in Oskarshamn gaan.

Er zijn wel vergevorderde plannen voor de aanleg van een ‘definitieve opslag’ bij Forsmark, honderden meters diep in de grond. Maar het kabinet en de milieurechtbank moeten die nog goedkeuren, en dat kan jaren duren.

De bewoners van het dorp Forsmark, even verderop, hebben geen bezwaren. Nagenoeg het hele dorp staat op de loonlijst van de kerncentrale. Sterker: de inwoners huren hun huizen van de centrale die het dorp opkocht. Ze voelen zich veilig, zeggen ze. Er ging hier immers nooit iets mis.

Maar wel bijna. In 2006 kreeg de oudste reactor van Forsmark door een defect even geen stroom. Twee van de vier noodgeneratoren die de reactor moesten koelen, weigerden. De twee die het wel deden, voorkwamen een kernsmelting. De nucleaire toezichthouder SSM kwalificeerde het voorval als een „ongeluk”. Het gezicht van Forsmarks zegsman betrekt als ernaar wordt gevraagd. Het was geen ongeluk, zegt hij, want het is goed gegaan. Maar de reputatie van Forsmark liep wel schade op.

Om wilde speculaties te beperken voert Forsmark een opendeurbeleid. Bezoekers krijgen te zien hoeveel veiligheidsmaatregelen er worden genomen. Ze krijgen een helm, een stofjas, sloffen. Ze gaan door tientallen deuren, kijken door zwaar beveiligd glas. Dat alles om te kunnen zien dat de reactor, de turbines en de generator er ogenschijnlijk vredig bij liggen.

Maar de geruchten over het voorval uit 2006 beklijven hardnekkiger dan het pr-beleid. En afgelopen winter – een strenge – kreeg Forsmark weer kritiek te verduren toen het vervangen van de turbines van een reactor maanden langer duurde dan gepland. De stroomprijs schoot omhoog.

Vertonen de reactoren tekenen van ouderdom? Helemaal niet, zegt de woordvoerder. „Ze zijn zo goed als nieuw. Geen barstjes.” Dat ze veertig jaar meegaan, is ook maar een schatting uit 1980, zegt hij. Niemand weet hoe lang de reactoren kunnen draaien. In de eerste plaats: zo lang het veilig is. Maar er spelen ook economische belangen, zegt de woordvoerder. „Het is als met een oude auto. Op een gegeven moment is die dure reparaties niet meer waard.”

Nog belangrijker is wellicht het politieke klimaat. Kijk naar Duitsland, waar de regering-Merkel onlangs besloot om de kerncentrales die allemaal uiterlijk in 20121 zouden worden stilgelegd, nog acht tot vijftien jaar langer in bedrijf te houden.

Het wachten is op de verkiezingen van zondag. Als de kiezers de rood-groene coalitie terug in het zadel helpen, wordt het besluit van juni vernietigd. Dat heeft oppositie beloofd. Maar het is zeer onwaarschijnlijk dat ze meteen de stekker uit de kerncentrales trekken.

Waterkracht, net als kernenergie goed voor zo’n 45 procent van het Zweedse stroomverbruik, is nauwelijks op te voeren. Waterkracht is goedkoop, duurzaam en klimaatvriendelijk, maar slecht voor de biodiversiteit. Zo is de aalpopulatie er drastisch door gedaald. Bovendien heeft Zweden nog maar vier rivieren waaruit geen elektriciteit wordt opgewekt. Communis opinio is dat die met rust moeten worden gelaten, omdat de natuur al genoeg schade is toegebracht.

Nog een kleine 10 procent van de elektriciteit komt van centrales die biomassa of fossiele brandstoffen stoken. Meer kolen of gas wil Zweden niet gebruiken. Niet alleen vanwege de hoge CO2-uitstoot, ook om afhankelijkheid van het buitenland te vermijden. Biomassa is ook geen oplossing voor Zweden, zegt Carl B. Hamilton, parlementariër voor de liberale Volkspartij, omdat dat concurreert met de houtindustrie. Beide sectoren maken gebruik van bosresten.

Zweden haalt maar ongeveer 2 procent van zijn stroom uit wind. Windenergie is te duur, zegt Hamilton. En het is niet stabiel genoeg. Het elektriciteitsnetwerk heeft baseload nodig: constante input. Bovendien verpesten windmolens het uitzicht, zegt Hamilton. Waarom stemde zijn partij, de grootste parlementaire voorstander van kernenergie, in juni dan in met de financiering van onderzoek naar duurzame energie? „Kwestie van klassieke koehandel.” Hamilton gelooft niet dat Zweden zonder kernenergie kan.

Dat Zweden laat is met de ontwikkeling van biomassa, wind- en zonne-energie is niet in de laatste plaats de sociaal-democraten aan te rekenen. De grootste partij zit sinds 2006 in de oppositie, maar domineerde daarvoor decennialang bijna onafgebroken de kabinetten. Voor het referendum van 1980 waren de sociaal-democraten voorstander van kernenergie, in de jaren zeventig werden in rap tempo kerncentrales gebouwd.

Maar de sociaal-democraten hebben – destijds vanwege het referendum en nu omwille van samenwerking met de Milieupartij – hun standpunt verlaten. In 1980 viel ze dat niet zo zwaar, omdat ze aan de wens van de bevolking tegemoet kwamen zonder daarvoor goedkope energie in te hoeven leveren. Nu is het moeilijker.

Ruim 70 procent van de Zweden zou volgens een peiling begrip hebben voor het besluit van de centrum-rechtse regering om oude kerncentrales te vervangen. Bijna een half miljoen Zweden is (in)direct afhankelijk van de circa 100.000 banen in de papier-, chemie- en metaalbedrijven, die hun succes deels danken aan goedkope kernenergie. En hun belangenbehartigers – vakbonden en werkgevers – zijn invloedrijk.

Om die invloed maximaal uit te buiten sloeg de industriesector de handen ineen met staatsenergiebedrijf Vattenfall, dat geheel commercieel opereert. Op dit moment bekijken ze of ze samen de bouw van nieuwe reactoren kunnen financieren, zoals dat ook in Finland gebeurt. De kosten van een nieuwe kernreactor worden geschat op 5 à 6 miljard euro. Dat lijkt een krankzinnig financieel risico. Maar wie de markt controleert, kan de stroomprijs lang van tevoren inschatten.

Officieel is er nog geen plan. Maar de nucleaire toezichthouder SSM heeft de regering al om (omgerekend) 11 miljoen euro extra gevraagd om de verwachte aanvragen van bouwvergunningen te kunnen verwerken.