Oplezen

In een vlaag van overmoed had ik me opgegeven voor One Million Years, een project van de Japanse conceptuele kunstenaar On Kawara in het Stedelijk Museum van Amsterdam. On Kawara heeft een serie boeken gemaakt die bestaan uit een miljoen jaartallen terug in de tijd en een miljoen vooruit in de toekomst. Die jaartallen moeten tijdens de tentoonstelling door vrijwilligers in het Engels worden opgedreund: elk uur een ander duo.

Een unieke gelegenheid, leek mij, om deel te worden van wat je een ‘levend kunstwerk’ kon noemen. Bij het Stedelijk Museum werd ik met open armen ontvangen. Ze hebben elke week 92 mensen voor dit project nodig en vooral de mannen laten het nogal afweten. In de uren dat er geen vrijwilligers voorradig zijn – het duo móét bestaan uit een man en een vrouw – wordt er een cd afgespeeld. Ik maakte me nergens zorgen over, dit varkentje gingen we even voortvarend wassen. „Het valt niet mee, hoor”, zei de gastvrouw van het museum nog, maar ik antwoordde met een zelfverzekerd glimlachje. Samen met de andere vrijwilliger, een vrouw van mijn leeftijd, besteeg ik de imponerende trap naar de eerste verdieping waar onze voorgangers nog achter een tafel zaten te lezen. Het was elf uur in de morgen, er was nog nauwelijks publiek, On Kawara – hij woont in Amerika – kon trots op ons zijn.

„Wat wil hij eigenlijk met dit kunstwerk?” vroeg de meelezeres nog.

„Het gaat over vergankelijkheid”, gokte ik. Dan zit je altijd goed.

We waren aan de beurt. Mijn collega had al eerder zo’n sessie gedaan en las geroutineerd enkele jaartallen bij wijze van proef voor. Ik probeerde het haar na te doen. Mijn eerste jaartal was 908499 BC – de mannen lezen de oneven jaartallen, de vrouwen de even. Op het papier stonden alleen cijfers.

Ik aarzelde even. Mijn buurvrouw kwam me meteen te hulp: „Nine hundred eight thousand four hundred ninety-nine bie-sie.” Ik zei het haar braaf na, al flitste wel even door me heen: „Holy Christ.” Daarna moesten we meteen in straf tempo verder. Eerst ik, dan zij – en zo een uur lang. Althans, dat was de bedoeling van de heer On Kawara, die op dat moment misschien ergens in New York heerlijk schaapjes lag te tellen. Bij het vijfde jaartal begon ik al te haperen: „Nine thousand eight hundred…” en een paar minuten later haalde ik alles door elkaar („Ninety-nine eight hundred…”) en begon ik ook de jaartallen van mijn buurvrouw voor te lezen. „Concentreer u”, maande de gastvrouw. Achter haar zag ik al enkele toeschouwers de trap opkomen. Concentreren, tja, hoe deed je dat ook alweer?

Maar komaan, we moesten verder. Waar waren we ook weer gebleven? Vijf minuten later had ik ook mijn meelezeres met mijn geknoei besmet. Nu begon vanuit ons middenrif onweerstaanbaar de slappe lach uit te breken. Uit een ooghoek zag ik ook de gastvrouw voorover stuiken van het lachen. Glaasje water! Slikken! Het werd snikken.

„Nine thousand…ninety…” probeerde ik nog. Toen zei ik zo plechtig mogelijk: „Ik vrees dat ik moet ophouden.” In gedachten had ik al een paar keer een verontwaardigde directrice de trap zien opstuiven: werd hier met kunst gespot? Een employé van het museum schoot toe en nam mijn beurt over. Als een nog maar nauwelijks levend kunstwerk sloop ik het museum uit.