Met stip op 114: de TU Eindhoven

Op de ranglijsten voor beste universiteiten valt altijd van alles af te dingen.

De Europese Commissie wil nu een eigen, betere ranglijst maken voor Europese landen.

Zit je als student eigenlijk wel goed in Nederland? Wie op internet de internationale ranglijsten bekijkt, moet een heel eind naar beneden scrollen om Nederland tegen te komen. Aan de top staan Amerikaanse universiteiten, en een paar Britse en Japanse. Dan komt pas de rest van Europa.

Vandaag komt er weer een nieuwe editie uit van een van de twee bekendste ranglijsten, die van het Britse Times Higher Education Supplement (THES). Stonden vorig jaar nog vier Nederlandse instellingen in hun top honderd, dit jaar is dat er niet één. Op de bekendste lijst, die wordt opgesteld door de Jiaotong-universiteit in Shanghai, stonden deze zomer twee Nederlandse universiteiten bij de honderd beste.

Moet je daar als ambitieus student onrustig van worden? Dat valt wel mee. Er is veel kritiek op de lijstjes. De THES-lijst leunt, ondanks een ingrijpende verandering in de methodiek dit jaar, nog steeds voor een belangrijk deel op reputatiemeting. Wetenschappers wordt gevraagd welke universiteiten ze kennen. Logisch dat dan vaak de bekende grote namen terugkomen. Ook in de Shanghai-lijst zit een vertekening. De plaats op die lijst wordt sterk bepaald door onderzoekspublicaties in Engelstalige vakbladen en door Nobelprijzen. Als je als universiteit snel hogerop wilt komen op die lijst, kun je simpelweg een Nobelprijswinnaar inhuren.

„Universiteiten volgen de rankings actief, maar nemen ze ook met een korrel zout”, zegt Olivier Morot, woordvoerder van de Vereniging van Nederlandse universiteiten. „De meeste ranglijsten zijn nogal eendimensionaal en belichten slechts één facet van het onderwijs of onderzoek aan de betreffende universiteit.”

„Iedereen weet dat op die ranglijsten heel wat valt af te dingen”, vertelt Dymph van den Boom, rector van de Universiteit van Amsterdam. „Dat neemt niet weg dat er veel gebruik van wordt gemaakt. We merken dat ook ouders ernaar kijken en er vragen over stellen, en dat internationale studenten de ranglijsten gebruiken om te bepalen naar welke universiteit in Europa ze zullen gaan.”

Als ze al naar Europa willen. Want op de twee genoemde ranglijsten blijven universiteiten op het Europese vasteland duidelijk achter bij de Amerikaanse en Britse. Dat was een prikkel voor de Europese Commissie om te kijken of dat in de praktijk ook echt zo is. Zij heeft één miljoen euro beschikbaar gesteld om een breder beeld te kunnen geven van het hoger onderwijs in de 27 EU-lidstaten.

Op een vergadering begin deze week in Brussel hebben de directeuren-generaal hoger onderwijs van de lidstaten hun steun uitgesproken voor dit project. „De Shanghai- en de THES-ranglijsten zijn als onvoldoende overtuigend van de hand gewezen”, vertelt Frans van Vught. Hij is oud-rector van de Universiteit van Twente en leidt nu de Europese projectgroep die het nieuwe systeem moet voorbereiden.

Daarin wordt niet alleen gekeken naar de kwaliteit van onderzoek. Er komen vijf factoren aan bod. Behalve onderzoek zijn dat de kwaliteit van het onderwijs, de mate van internationalisering, de economische en sociale betekenis van een universiteit in haar regio, en innovatie.

Dat zal niet leiden tot één ranglijst, zegt Robin van IJperen, die het project in Brussel begeleidt. „Wij vinden dat je de score op verschillende dimensies als onderwijs en onderzoek niet bij elkaar moet optellen. Voor bepaalde studenten zal de kwaliteit van onderzoek heel belangrijk zijn, voor andere juist weer de kwaliteit van het onderwijs. In ons project gaat het er juist om dat de gebruiker zelf kan aangeven welke dimensies hij of zij belangrijk vindt. Daarbinnen wordt dan duidelijk hoe een onderwijsinstelling presteert.”

„Op deze manier kun je laten zien waar de zwakte en de kracht van de instellingen zitten”, zegt Van Vught. „Dit zal enorm de transparantie vergroten.” De naam van het project is u-multirank: kijk zélf maar, is de gedachte, en kies je eigen criterium. Universiteiten kunnen kijken waar ze staan in vergelijking met andere instellingen. Studenten kunnen de lijsten een rol laten spelen. Geldschieters en bedrijfsleven krijgen een beter beeld wat voor vlees ze in de kuip hebben. En de overheid kan het gebruiken om een te kunnen zien of de bijdrage uit de schatkist goed wordt besteed.

Er loopt nu een proef met 150 universiteiten om de haalbaarheid van de nieuwe benadering te onderzoeken. Die moet volgend jaar zomer zijn afgerond. Een groot probleem, vertellen Van Vught en Van IJperen, is het vinden van betrouwbare gegevens. Je kunt wel afspreken om het innovatief vermogen van een universiteit onder andere te bepalen aan de hand van het aantal patenten, maar wordt dat wel bijgehouden? Vooral op het gebied van regionale functies en innovatie is het moeilijk goede informatie te vinden, zegt Van Vught. „En dan is er nog het probleem van het vergelijkbaar maken van data. Dat is een veel grotere klus dan we dachten.”

„Qua onderzoek zal het beeld niet sterk veranderen ten opzichte van de huidige lijsten”, verwacht Van Vught. „De topuniversiteiten in de VS hebben nu eenmaal het meeste geld, en voor onderzoek heb je een dure infrastructuur nodig: goedbetaalde onderzoekers en kostbare laboratoria. Maar bij de kwaliteit van het onderwijs verwacht ik een betere rol van de Europese universiteiten.”

Hij verwerpt iedere suggestie dat het de bedoeling is om het onderwijs in Europa beter te doen voorkomen dan het is. „De Europese Commissie betaalt, maar niet om de Europese uitkomsten beter te maken. De Chinese overheid betaalt ook de Shanghai-ranglijst. We willen weten waar de Europese instellingen staan in vergelijking met de rest van de wereld. Dat kan een stimulans zijn om zwakke punten te verbeteren.”

Lees ook Opinie, pagina 18-19