De politieke brief is vaker het laatste wapen

Door de bombrief van Ab Klink escaleerde de crisis binnen het CDA.

De politieke brief is vaak niet zo maar een hartekreet. Een klein historisch overzicht.

De brief is als onaangekondigd bezoek, klaagde de Duitse dichter en filosoof Friedrich Nietzsche ooit. Het kan. Evenzogoed is er de langverwachte brief of de nooit geschreven brief. De brief. Zo steeds minder van deze tijd en alleen daarom al zo bijzonder. Het gaat om niet meer dan een velletje papier met een boodschap, een gedachte, een verzoek, een bekentenis. Maar tegelijkertijd heeft het geschrevene in de brief zijn dwingende en onomkeerbare zeggingskracht. Juist omdát het een brief is en geen twitter, mail , sms, of andere digitale verspreider van losse gedachten. En zo is de brief, aldus een ander gezegde, als goede wijn, die naarmate de tijd verstrijkt verder rijpt. Een brief doet zijn werk, en galmt na. De wereldliteratuur kent er vele voorbeelden van.

Een aparte categorie vormt de politieke brief. Niet te verwarren met de brieven vol van beleid die dagelijks vanuit de bureaucratie de wereld in worden gestuurd. De politieke brief is er één van een persoon op het moment dat het beleid of de machtsvorming nog volop in de maak is. De schrijver is iemand die veelal niet gehoord is, gepasseerd, gekrenkt of vernederd. Iemand die het ‘voor eens en voor al’ gezegd wil hebben. Voor hem of haar is de brief vaak het laatste wapen in een strijd waar andere methoden gefaald hebben. Of de afronding van een strijd.

Brieven kortom die veelal niet bedoeld zijn voor brede kring. Maar als ze daar dan toch belanden, steevast voor de nodige ophef zorgen. Want de politieke briefschrijver heeft de deur geopend naar het verborgene, de achterkamer. Het verhaal is authentiek want zelf meegemaakt en zelf opgeschreven. De gebruikelijke verdediging – verkeerd geciteerd, uit de context – werkt zodoende niet meer. Vandaar dat de politieke brief met de ontvanger het graf in dient te gaan. Tenzij ze tussentijds toch ergens anders belanden.

Al ruim twee weken heeft Den Haag het over ‘de’ brief van Ab Klink. De uitgelekte brief van Ab Klink. De bombrief van Ab Klink. Explosief was de inhoud zeker. Wekenlang had Klink aan tafel gezeten om te onderhandelen over een nieuw kabinet. Beoogd fractievoorzitter was hij. Totdat hij op 1 september besloot zijn brief te schrijven. Hij zag de gesprekken met de PVV over de vorming van een kabinet niet meer zitten. „Een onbegaanbare weg” , schreef Klink in zijn vijf kantjes tellende epistel aan CDA-fractievoorzitter Maxime Verhagen en partijvoorzitter Henk Bleker.

Klinks brief is de weerslag van een persoonlijke worsteling tussen loyaliteit en principe. Hij wilde loyaal aan zijn partij zijn door in te stemmen met besprekingen met de PVV van Geert Wilders maar kon het uiteindelijk niet langer opbrengen. „De inzet en uitgangspunten van het CDA en van de PVV zijn – zo is me allengs duidelijker geworden – te verschillend om verzoend te kunnen worden via een programmatisch regeerakkoord”, schreef hij.

De brief die volgens informateur Ivo Opstelten nooit geschreven had mogen worden, was het begin van het einde van Klinks politieke carrière. Een week later vertrok hij uit de CDA-fractie. Hij was bijna vier jaar minister van Volksgezondheid, maar zal de geschiedenis ingaan als de man van de brief.

Ruud Lubbers had zijn vertrek uit de landspolitiek al aangekondigd toen hij op 11 april 1994 aan enkele partijgenoten zijn dramatische brief over de ontwikkelingen binnen het CDA schreef. De partij koerste onder leiding van de nieuwe partijleider en lijsttrekker Elco Brinkman af op een ongekende nederlaag bij de verkiezingen die een maand later zouden worden gehouden. Achter de schermen probeerde Lubbers op allerlei manieren het tij te keren. Zo overwoog hij zelfs voortijdig zijn eigen kabinet op te blazen zodat het CDA ‘onbelast’ de verkiezingen in kon gaan.

Ook stelde hij voor de „kapot” zittende Brinkman te laten seconderen door twee nieuwe CDA-lijsttrekkers die zich in de regio verkiesbaar zouden stellen. Maar Lubbers constateerde dat binnen de partij niet meer naar hem werd geluisterd. In zijn een jaar later door journalist Marcel Metze in het boek De Stranding onthulde brief aan Kamervoorzitter en partijgenoot Wim Deetman en voorzitter Luck van Leeuwen van de CDA Eerste Kamerfractie laat Lubbers zijn teleurstelling overduidelijk blijken. „Ziehier het relaas dat voor jullie niet nieuw is. Hoe een volkspartij zich laat marginaliseren, omdat het ‘wij horen bij elkaar’ niet meer zichtbaar wordt gemaakt. Wat mij rest is te bidden. Dat valt mij – ondanks mijn zondigheid – niet zwaar. Mijn schild ende betrouwen zijt Gij, o God mijn Heer. Ruud.’’

Een saillant detail is dat de KRO tegelijk met het verschijnen van het boek van Metze openbaarde dat Lubbers een afschrift van zijn brief stuurde aan koningin Beatrix.

Dezelfde Beatrix speelde een rol in de tot veel ophef leidende brief van PvdA-fractievoorzitter Gerard Nederhorst aan enkele bezorgde partijgenoten die Het Parool op 25 oktober 1965 onthulde. Nederland was, twintig jaar na afloop van de Tweede Wereldoorlog, zwaar verdeeld over het voorgenomen huwelijk van kroonprinses Beatrix met de Duitser Claus von Amsberg. Het debat verdeelde ook de PvdA die toen in de regering zat. Nederhorst ontving als fractievoorzitter van diverse partijgenoten bezorgde brieven. Aan 34 van hen stuurde hij een persoonlijk antwoord. Nederhorst zette uiteen waarom de PvdA-fractie zich in ruime meerderheid toch achter het huwelijk schaarde. In een tussenzin meldde hij dat volgens hem niet zozeer Claus het probleem voor de monarchie was, maar Beatrix: „Eerlijk gezegd maak ik mij persoonlijk veel meer zorgen over kroonprinses Beatrix, wier eigenzinnigheid krachtig in toom zal moeten worden gehouden, dan over de heer Von Amsberg, op wie, voor zover wij hebben kunnen nagaan, niets aan te merken is.”

In het Tweede Kamerdebat over het koninklijk huwelijk sprak fractievoorzitter Norbert Schmelzer van de KVP-fractie (één van de partijen waaruit later het CDA zou ontstaan) over een „respectloze bejegening van het Koninklijk Huis” door Nederhorst. Maar dit verwijt zal ongetwijfeld ook te maken hebben met het oordeel in dezelfde brief over Schmelzers’ partijgenoot en ex-premier Jan de Quay, die in de oorlogsjaren de omstreden Nederlandse Unie had opgericht. Nederhorst: „In alle eerlijkheid gezegd, het gaat mij te ver, wanneer wij in Nederland wèl De Quay als minister-president aanvaarden, die n.b. vrijwillig het op een akkoordje met de Duitsers en de NSB wilde gooien en dan van een Duitse jongen van 17 jaar (gedoeld wordt op Claus von Amsberg, red.) verlangen, dat hij midden in de oorlogstijd dienst weigert.”

Ongepolijst schrijven konden ze wel, de PvdA-politici in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw. Dat merkten de christen-democraten in 1973 toen de socialist Jaap Burger van stal was gehaald om als formateur de weg te bereiden naar het kabinet Den Uyl. Zijn talloze scherp getoonzette brieven aan de fractievoorzitters van KVP, ARP en CHU tijdens de slepende formatie hoefden niet eens uit te lekken. Burger openbaarde ze zelf om de politieke leiders van de drie christelijke partijen openlijk onder druk te zetten. Den Haag smulde van venijnige zinnen als „tot nadere gedachtenwisseling geeft uw brief mij geen aanleiding” en „geen detail van een mogelijk verwijt zal mij bespaard blijven”. Brieven die volgens toenmalig KVP-leider Frans Andriessen „onnodig weerstanden” opriepen. Maar, zo moest hij erkennen wel „een verrijking van de formatieliteratuur” hadden opgeleverd.

En zo is het eigenlijk met alle politieke brieven. Ze mogen niet bekend worden, maar ze geven vaak wel het meest verhelderende beeld van hoe het er echt aan toegaat in Den Haag.