'Wij, Iraanse ballingen, leven in cyberspace'

De Iraanse oppositie is niet meer op straat te zien. Maar haar leiders laten dagelijks van zich horen en internet is het alternatief voor de straat, zegt oppositie-activist Abbasgholizadeh.

Mahboubeh Abbasgholizadeh nam eind jaren zeventig enthousiast deel aan de Iraanse islamitische revolutie. Ze maakte deel uit van de eerste generatie die de politieke zwarte chador droeg, de allesverhullende omslagdoek, ten teken van haar revolutionaire identiteit. „Khomeiny [de oprichter van de islamitische republiek] vertegenwoordigde al mijn dromen; hij zou ons naar het Utopia leiden van vrijheid, gelijkheid en vrede.”

Abbasgholizadeh (1958) is nu een van de talloze Iraanse anti-regimeactivisten die in het buitenland in ballingschap leven en die in eigen land gevangen zouden zitten. Ze vluchtte in januari, nadat ze eind december tijdens de begrafenis van grootayatollah Ali Montazeri, geestelijk leider van de Iraanse oppositionele Groene beweging, voor de zoveelste keer was opgepakt. In mei werd ze bij verstek tot tweeëneenhalf jaar gevangenisstraf en 30 zweepslagen veroordeeld op een eerdere aanklacht, het verstoren van de orde tijdens een vrouwenprotest in 2007. Ze heeft nu in Nederland een beurs voor een filmopleiding – ze is bekend als amateur documentairemaker, ten behoeve van haar campagnes. Daarna gaat ze op een andere beurs naar Amerika: zo zwerven veel activisten rond.

Na de geboorte van de islamitische republiek in 1979 kwam de desillusie. De politieke islam die aan de macht was gekomen ontpopte zich als zeer orthodox. „Islamitische vrouwen werden geacht thuis te zitten en moeder te worden”, zegt Abbasgholizadeh in een vraaggesprek in Den Haag. „Tijdens de oorlog tegen Irak (1980-1988) hadden vrouwen geen andere taak dan moeders en echtgenotes van soldaten te zijn.”

Na de oorlog veranderde dat niet. „We ontdekten dat we als vrouwen niet onafhankelijk konden zijn. We hadden geen eigen, onafhankelijk recht op onderwijs of werk. Zelfs in seksuele relaties met onze echtgenoten moesten we volgen. Mijn man was het symbool van de islamitische man na de islamitische revolutie: seks was mijn plicht. Je wordt een tweederangsburger, in je familie, tegenover je echtgenoot, in de maatschappij.

„We dachten dat de traditionele cultuur onze vijand was. Maar het belangrijkste obstakel bleek het islamitische regime te zijn, dat de culturele discriminatie reproduceerde in de maatschappij. Daar komen nu de stenigingen en de toegenomen eerwraak nog uit voort. Wat is traditionele identiteit? Eerwraak. Tijdelijk huwelijk.”

De hervormer Khatami had na zijn aantreden als president in 1997 een uitgelezen kans om deze trend terug te draaien. „We hebben toen een grote kans gemist”, zegt Abbasgholizadeh. „We willen het altijd te snel doen. In 1979 zeiden de mensen: we willen de sjah niet. Ze bedachten zich niet wat ze wél wilden. En toen namen de orthodoxe islamitische groepen de beslissingen. Daarvan hebben we niet geleerd. Toen Khatami aan de macht kwam waren de burgers evenmin klaar. We hadden meer tijd nodig om een basis te leggen.

„Nu, in de Groene beweging, zeggen we: we hebben die twee grote fouten gemaakt. Nu gaan we ons niet haasten om zo snel we kunnen het regime te veranderen. Want wanneer we niet geven om gelijkheid tussen man of vrouw of om rechten van minderheden of om de executies, of de stenigingen, de politieke gevangenen, dan doen we niets anders dan het laatste regime reproduceren.

„Dat is niet alleen mijn standpunt. Dat is het standpunt van meer intellectuelen en sociale activisten op dit moment. Ik ben een seculiere hervormer. Ik geloof niet in verandering door revolutie.” Ze lacht. „En dan hoop ik dat we over tien jaar een democratisch bewind hebben.”

Van buitenaf gezien lijkt het regime van opperste leider Khamenei en president Ahmadinejad echter aan de winnende hand: de oppositie zit gevangen of in het buitenland en van grote protesten is geen sprake meer sinds december. Maar die indruk wordt gevestigd door de media, die alleen kijken naar opvallende gebeurtenissen, zegt Abbasgholizadeh. In Iran, zegt ze, laten de leiders van de Groene beweging dagelijks van zich horen: Mousavi, Rafsanjani, Khatami en anderen. Ze hebben het over politieke gevangenen, over stenigingen, over alles, elke dag. Er is een krachtige ondergrondse beweging voor politieke gevangenen. De vrouwenbeweging vecht tegen steniging, tegen discriminatie.

„Je kunt ook niet zeggen dat er een grens is binnen de Groene beweging, tussen de oppositie binnen en buiten het land. Sommigen vechten binnen Iran, en anderen in het buitenland maken dat zichtbaar, via de media, via internet. Internet is het alternatief voor de straat. We wisselen het laatste nieuws uit. We leveren emotionele steun. Wij, ballingen, leven niet in het buitenland. We leven in cyberspace. De mensen in Iran kunnen niet vrijuit op straat praten, maar communiceren ook via internet. Je kunt je organiseren via internet. Een staking lanceren.”

Abbasgholizadeh is hoe dan ook optimistisch. „We moeten blijven dromen over verandering. Weet u wat de belangrijkste overwinning voor ons zou zijn? Als de Iraniërs voorgoed de politieke islam vaarwel zeggen. Voorgoed. Zoals de Europeanen van de kerk afstand namen. Niet omdat we niet in God geloven, want ik geloof in God. Maar omdat ze ons geloof tegen ons gebruiken, om ons te controleren. We vergeven hun dat nooit.”