Tussen hysterie en gemoedelijkheid

Het buitenlandse gevaar begint ineens hele volkeren te verenigen. Of het nu Amerika, Groot-Brittannië, Duitsland, Frankrijk of Spanje betreft – immigratie wordt ineens een onderwerp van grensoverschrijdende koortsachtigheid.

Nu is immigratie op zichzelf altijd al wel een gevoelig punt geweest, maar zelden overal tegelijk in dezelfde heftigheid. Volgens een Harris-onderzoek vindt 67 procent van de Britten hun land een „slechtere plek om te leven” door de immigratie, in Frankrijk vindt 48 procent dat de buitenlanders een negatieve invloed hebben op de economie, in Duitsland 44 procent. Overal vindt een meerderheid dat de lonen onder druk staan door de komst van buitenlanders.

Dankzij een prijzenswaardig initiatief van het NOS Journaal om ook eens verslag te doen vanuit het Europees Parlement konden ook Nederlandse televisiekijkers zien hoe Europese geesten zich scheiden. Roemenen en Polen staan daar wat beteuterd aan de zijlijn, de gearriveerde democratieën bieden een speelveld aan verbeten polarisatie tussen ‘nette mensen’ en ‘xenofoben’.

Omdat het om sentimenten gaat, levert de discussie overal dezelfde kakofonie op. In Duitsland bijvoorbeeld daalt de instroom van Turken al tien jaar, maar dat doet er helemaal niet toe. Het voelt kennelijk niet zo. In een tijdperk waarin psychologie zoveel belangrijker is dan ideologie, zijn het de gevoelens die tellen. Criminologen met hun veiligheidsstatistieken weten ervan mee te praten, de weermannen en -vrouwen zijn bij guur weer ook allang overgeschakeld van temperatuur naar gevoelstemperatuur.

Aan de opkomst van charismatische populisten kan de koortsachtigheid rondom het onderwerp immigratie ook niet liggen. De meest besproken Duitse immigratiecriticus Thilo Sarrazin heeft de uitstraling van een aluminium lantaarnpaal op klaarlichte dag.

Op zichzelf is er ook weinig nieuws dat de plotselinge opwinding verklaart. In de meeste oude Europese landen heeft immigratie er geleidelijk aan toe geleid dat menig autochtone bewoner in zijn of haar volksbuurtje is blijven wonen en ondertussen toch tot de ontdekking kwam dat men in een vreemd land terecht was gekomen. Maar dat is al lang zo. In een stad als Leeds is de meerderheid van de bevolking binnenkort afkomstig uit derdewereldlanden.

Ook de islam als pijnpunt is al jaren oud. Het blijft voor Europeanen en Amerikanen een vreemde religie en hoe ijveriger immigranten werk maken van de islam, hoe meer ze de illusie verstoren dat de nieuwkomers zich wel zullen aanpassen.

Elke nieuwe moskee naar architectuurrecept van de Efteling in een West-Europees landschap verstoort opnieuw deze illusie. Dus zeiden de Zwitsers: weg ermee.

Waarom dan nu die koortsachtige gelijktijdigheid? Misschien is het toeval, omdat ons aller binnenland – New York – een akkefietje uitvecht over een moskee. Akkefietjes worden in google-land nu eenmaal heuse mediagolven.

Maar waarschijnlijker is dat alle westerse landen op het ogenblik te maken hebben met collectieve verarming. Overal hebben overheden grote tekorten, overal staat de verzorgingsstaat onder druk, overal staan vertrouwde arrangementen ter discussie. Immigratie maakt verzorgingsarrangementen kwetsbaarder. Nu dreigt dat pas echt voelbaar te gaan wringen in de verzorgingsstaten. En met dank aan de financiële crisis dus ook overal min of meer tegelijk.

Allicht zijn er allerlei feiten die hier haaks op staan. Geen sociaal-economisch onderzoek van betekenis of het berekent hoe afhankelijk we van immigratie zijn voor toekomstige bedrijvigheid, voor de zorg. Maar helaas, het gaat om ‘het gevoel’.

Het meest bizarre blijft hierbij die discrepantie tussen alle hysterie wanneer je een tv aanzet en de eigen werkelijkheid. Het ene moment maak je een praatje met een vrouw met hoofddoek en het andere moment zet je de tv aan en hoor je iemand zeggen dat het eigenlijk oorlog is tussen de islam en het Westen. Hoe rijmt de individuele normaliteit met de collectieve opwinding?

Een spannend antwoord komt van een recent essay van de filosoof Byung-Chul Han, een Koreaan die doceert in Karlsruhe. Vandaar de titel in het Duits Müdigkeitsgesellschaft, de Vermoeidheidssamenleving. Hij maakt in dit dunne boekje korte metten met alle hoogdravende analyses over de islam en hoe die een schisma tussen autoritaire en democratische mensbeelden heeft bewerkstelligd. Hans analyse: we hebben geen serieuze vijanden meer, we zijn vrij en kunnen met een positieve instelling, met motivatie onszelf ontplooien. Dat leren we op school, dat staat in alle hulpboekjes, dat hoort bij alle teambuilding en wat dies meer zij.

Onze vijanden zijn hiermee niet meer allerlei duistere ideologieën of kwaadwillende dictators. Onze vijanden zitten in onszelf. De stress, de burn-out, de depressie, het narcisme – dát zijn onze vijanden in dit neurosetijdperk. Maar tegelijkertijd weten we daarmee geen raad en klampen ons vast aan collectieve vijandbeelden. Dat verzacht de innerlijke spanningen en vermindert de druk. De google- en YouTube-golven helpen hierbij een handje. Alleen daarom kan een malloot uit Florida met een eventuele koranverbranding zijn mondiale famemomentje pikken.

Maar het is, aldus Han, dus niets anders dan placebovijandschap. Het hoofddoekje, het gebrek aan taalvaardigheid, de gewelddadige mores onder sommige immigranten – dat kennen we allemaal al decennia. Het is ons eigenlijk helemaal niet vreemd meer. Onze grootste angst, aldus Han, is eigenlijk dat niets ons meer vreemd voorkomt, dat we van het ‘vreemde’ zijn beroofd.

Geheel in de geest van de moderne maatschappijwetenschappen stopt Han behoorlijk wat neuro-inzichten in zijn opstel. De suggestie van een verbinding tussen de financiële crisis en de collectieve westerse oprisping tegen immigratie is hem waarschijnlijk dan ook te triviaal.

Maar dat er iets wringt tussen de mediahysterie en het gemoedelijke gemak van het multiculti op straat, moet je hem nageven.