Stadshaard Enschede wekt alom afschuw

Het ‘lelijkste gebouw’ van Nederland staat in Enschede: de Stadshaard. „Ik ben blij dat ik er niet tegenover woon.”

De in 2001 overleden architect Abe Bonnema zei ooit: „Alles is lelijk in Enschede.” Inmiddels is er veel gesloopt en veel gebouwd in de grootste stad van Twente. Maar daar zitten kennelijk nog steeds „lelijke” bouwsels tussen. Want tijdens een informele verkiezing, georganiseerd op de website van NRC Handelsblad, werd de Stadshaard van energiemaatschappij Essent voorgedragen als een van de meest recente lelijkste gebouwen van Nederland.

De Stadshaard is geen gebouw waar mensen in wonen of werken, maar een soort grote verwarmingsketel, waarvan het omhulsel is ontworpen door Branimir Medic. Tegen de buitenkant zitten grote Delfts blauwe tegels, met afbeeldingen die verwijzen naar de stad en naar energie.

„Foeilelijk”, schreef de een. „Wanneer mag dat pakpapier eraf?”, vroeg de ander. Of: „Het gebouw vloekt zo in zijn omgeving, dat ik het een architectonische misser zou willen noemen.” En: „Over smaak valt te twisten, maar deze Stadshaard slaat echt alles.” Maar ook: „Zonde dat alles wat riekt naar enigszins gewaagde architectuur zo genadeloos wordt afgebrand.”

De Stadshaard, gereed sinds maart, levert warmte aan 900 woningen en 70.000 vierkante meter kantoor- en winkelruimte in Roombeek, de wijk die op 13 mei 2000 werd verwoest door de vuurwerkramp. Het gebouw, dat pal aan een van de invalswegen ligt, is driehoekig en heeft een hoge, driehoekige schoorsteen. Een dergelijk „energiedistributiepunt” moet dichtbij de afnemers staan, aldus een woordvoerder van Essent. „Anders gaat er te veel warmte verloren. Hoe langer de leidingen zijn, hoe meer warmteverlies.”

De betegeling van de krachtcentrale, ontworpen door de Amsterdamse kunstenaar Hugo Kaagman, lijkt op die van een oude haard. Hij laat onder meer het stadhuis van Enschede zien, de omslag van het boek Ik Jan Cremer van de in Enschede geboren Cremer en van nieuwe en oude gebouwen in Roombeek, een veelvuldig door architectuurtoeristen bezochte wijk.

Wat vinden wijkbewoners zelf van hun haard? „Tja, de makers wonen in Amsterdam, en wij moeten het er hier mee doen. Het is een schreeuwend ding, weinig bescheiden, inderdaad”, meent architect Hein Jan Geerdink, die op korte afstand van de Stadshaard woont. „Maar het gebouw klopt wel”, vindt hij. „Mooi of lelijk, het valt in elk geval op.”

De eigenaren van de winkels aan de overkant kijken dagelijks tegen de Delfts blauwe façade aan, zonder dat hun „ooit iets is gevraagd”, constateren ze verontwaardigd. „Je moet alles maar uit de krant lezen”, moppert Els van Veen van de beddenzaak Elbatex. „Iedereen vindt een lelijk gebouw, nou ja, bijna iedereen. Sommigen vinden het gebouw wel mooi, maar niet op deze plek – zo dicht bij de weg, precies in het zicht van de kerk verderop.”

Ze kan er nog bij lachen. „Wat moet ik dan? Er heeft zich sinds de vuurwerkramp al zo veel voorgedaan waar ik het niet mee eens ben. Op een gegeven moment ben je het zat, dan wil je je niet overal meer druk over maken.”

Bloemist Han Huigen: „Ik vind het ook helemaal niks. Ik heb het geluk dat ik hier niet woon. Vroeger, tot de vuurwerkramp, zat er een sportzaak op die plek. Dan was de boel ’s avonds verlicht. Nu is het een kale, dode wand. Hier vlakbij is een klein appartementgebouw gekomen. Het is nog niet bewoond, maar een van de mensen die er een huis hebben gekocht, is zo ontzettend geschrokken van dit gebouw, ze stond hier laatst haast huilend in mijn zaak. Ik hoop dat er binnenkort een flinke kraanwagen tegenaan rijdt. Een vuurwerkfabriek ernaast is misschien ook een oplossing.”

Architect Medic van de Architekten Cie. uit Amsterdam vindt de uitverkiezing „fantastisch”. Hij zegt: „Het verschil tussen lelijk of mooi is vaak maar klein. Als je mensen zou hebben gevraagd om het mooiste gebouw te kiezen, waren ze misschien ook bij de Stadshaard uitgekomen.”

„Bij dit soort gebouwen heb je altijd voor- en tegenstanders. Het wordt lelijk gevonden, omdat het niet standaard is, omdat het afwijkt van normaal. Ik zou het bijna als een compliment zien.”

Medic spreekt van een „gedurfd, radicaal” ontwerp: „Een positieve provocatie. Normaal gesproken zijn dit vaak goedkope, industriële gebouwen. Ze zijn anoniem, niemand weet dat ze bestaan. Ik vraag mij af of dat de goede richting is. Deze Stadshaard is een minifabriekje midden in de stad. Warmte voor de hele buurt. Dat willen wij laten zien. Je maakt energie zichtbaar; je kunt zien waar de energie vandaan komt. Het is een onderdeel van onze maatschappij, het thema van deze eeuw: energie, duurzaamheid.”

Van de kritiek op de plek waar zijn ontwerp staat, trekt Medic zich ook niet zoveel aan. „Deze plek was al aangewezen. Er wordt wel vaker gezegd dat iets een meter meer naar links of rechts moet. Maar de welstand en andere betrokkenen hebben het geaccepteerd als een goed voorstel. Ze vonden het ontwerp fantastisch.”