'Het water staat Havana aan de lippen'

De Cubaanse autoriteiten moeten wel hervormen, zegt econoom Jorge Piñón. Maar het ontslag van een half miljoen ambtenaren betekent niet het einde van de revolutie.

De aankondiging dat een half miljoen ambtenaren zijn baan verliest, is op Cuba hard aangekomen. „Het is een van de weinige keren dat het Cubaanse regime iets heeft aangekondigd dat echt wordt uitgevoerd”, zegt Jorge Piñón, econoom en onderzoeker van het Cuba Onderzoeksinstituut van de Internationale Universiteit van Florida.

Cuba moet hervormen uit economische noodzaak. „De overheid is blut”, zegt Piñón. „Ze kan al die ambtenaren gewoon niet betalen. Een half jaar geleden al zijn de gratis lunches afgeschaft voor overheidspersoneel. Het kostte te veel geld, ook omdat veel voedsel gestolen werd voor verkoop op de zwarte markt”, zegt hij.

Al sinds zijn aanstelling als president in 2008, toen hij zijn destijds zieke broer Fidel opvolgde, hamert Raúl Castro op de noodzaak van economische veranderingen. Die bleven tot nu beperkt tot kleine stappen. Onlangs gaf de regering kappers en taxichauffeurs de vrijheid voor zichzelf te werken. Of de economie daarmee de gewenste impuls krijgt, is zeer twijfelachtig. Piñón: „De bijdrage van die sectoren aan het nationale inkomen stelt niets voor.”

Al eerder voerde Raúl Castro landbouwhervormingen door, mede als antwoord op de hoge voedselprijzen en het feit dat Cuba voor een belangrijk deel van de voeding afhankelijk is van import. Het is eenvoudiger gemaakt voor Cubanen land te bemachtigen en de opbrengst daarvan te verkopen. „Maar die mensen krijgen helemaal geen begeleiding. Niet iedereen kan zo maar boer worden. Het is een goede stap, maar die is halfslachtig uitgewerkt.”

Veel van de Cubaanse ambtenaren klussen bij op de informele vrije markt. Vooral de toeristensector biedt talrijke opties, van illegale kamerverhuur tot het aanbieden van maaltijden. Piñón: „De mensen die hun baan verliezen, zullen de extra inkomsten kwijtraken die zij verdienden met de verkoop van gestolen goederen op hun werk, zoals pennen en etenswaren, op de zwarte markt.”

Piñón constateert dat het regime het water aan de lippen staat. Hij zegt ook: „Je moet een structuur creëren voor die mensen. Staatsbanken zouden microkredieten moeten gaan verstrekken. Mensen moeten training krijgen, zodat ze leren hoe ze moeten ondernemen. Maar daarover hoor je helemaal niets.”

Een van de oorzaken van het uitblijven van vernieuwend economisch beleid, is verdeeldheid binnen de Communistische Partij. „Het laatste congres van de Communistische Partij was tien jaar geleden. Ze willen pas weer bijeenkomen als er geen onenigheid is. Veel economen in Cuba weten dat particulier ondernemerschap onontbeerlijk is, alleen durft niemand knopen door te hakken.”

Of het einde van de Cubaanse revolutie nu in zicht komt, durft Piñón niet te zeggen. „Het massaontslag kan wel sociale spanningen veroorzaken.” De armoede neemt verder toe en meer mensen worden afhankelijk van geld van familie uit de VS, de grootste inkomstenbron na toerisme in Cuba. „Dat zijn gevaarlijke ontwikkelingen. Daarmee kan je onheil over jezelf afroepen.”

Toch zal met de drastische herstructurering van de staat niet de deur worden opengezet voor ongebreideld kapitalisme. Zelfs Cubanen in Miami hopen dat zegeningen van de Cubaanse revolutie, zoals gratis zorg en onderwijs, blijven bestaan. „Het is nu tijd voor Washington om serieus toenadering te zoeken tot Cuba. Daar ligt een oplossing.”

Commentaar: pagina 7