Het lijken net vogels

Vliegende vissen kunnen snelheden van wel 70 kilometer per uur halen.

Dat ontdekten Zuid-Koreaanse ingenieurs aan de hand van dode exemplaren.

De viervleugelige vis werd voor het onderzoek gedood, opgezet en met de driehoekige borstvinnen en kleinere staartvinnen in verschillende posities gefixeerd.Foto universiteit Seoul

Het zweefvermogen van vliegende vissen is superieur aan dat van stormvogeltjes en sommige eenden. Het lichaam en de vleugelvormige vinnen van de vissen zijn zo gebouwd dat ze vlak over het water optimaal kunnen zweven.

Vliegende vissen schieten uit het water omhoog en kunnen dan afstanden tot maar liefst 400 meter boven water afleggen, al moeten ze dan wel af en toe extra vaart maken door met de punt van hun staart in het water te zwabberen. Ze halen zo snelheden tot 70 kilometer per uur en kunnen vluchten maken die langer duren dan een halve minuut.

De Zuid-Koreaanse ingenieurs Haecheon Choi en Hyungmin Park (verbonden aan de universiteit van Seoul) zijn er als eerste in geslaagd in een windtunnel metingen uit te voeren aan de aerodynamica van (dode) vliegende vissen. Zij publiceren hun resultaten deze week in het Journal of Experimental Biology.

Het viel de Koreanen nog niet mee om de beesten te pakken te krijgen. Na een vergeefse reis naar de Tsukiji vismarkt in Tokio wist Park de Zuid-Koreaanse Visserscoöperatie over te halen om hem mee te nemen naar de Zee van Japan (de onderzoekers noemen dit de Oost-Koreaanse Zee). De daar gevangen ‘viervleugelige’ vissen (Cypselurus hiraii) werden gedood en opgezet, met de enorme driehoekige borstvinnen en kleinere staartvinnen in verschillende posities gefixeerd. Choi bevestigde krachtmeters aan de beestjes en plaatste ze onder verschillende hoeken in een windtunnel. Rook, over de vissen geblazen, maakte de wervels rond hun vinnen zichtbaar.

De krachtmetingen toonden aan dat de vliegende vis horizontaal zwevend meer dan vier meter vooruit kan komen voor elke meter die hij daalt. Verdienstelijke zwevers als de stormvogel en de Carolina eend halen die afstand niet. (Specialisten als de zwarte gier weer wel – die komen maar liefst 17 meter ver voor elke meter hoogte die ze verliezen.)

Choi en Park ontdekten dat het zweefvermogen van de vliegende vissen het best was als zij de windtunnel deels vulden met water. Zo simuleerden ze een setting waarin de opgezette beesten over het water scheerden. In de lucht die tussen de vis en het water door moet stromen ontstaat een hogere luchtdruk en dus meer lift. Bovendien helpt het water onder de vis om aerodynamicaverstorende wervelingen achter de vinnen snel te laten afbreken.

Piloten weten dat vliegtuigen tijdens de landing vlak boven de grond even op een soort luchtkussen terecht komen. Het vliegtuig schiet daardoor bij de landing net iets verder door. Dit zogeheten grondeffect is vergelijkbaar met de extra lift die de vliegende vissen generen als ze vlak boven het water vliegen. Maar vliegtuigen die dit effect uitbuiten, zoals de Russische Ekranoplan, zijn nooit een groot succes geweest. Choi en Park denken dat ontwerpers van deze laagvliegende toestellen een voorbeeld kunnen nemen aan vliegende vissen.

De viervleugelige vis die de Koreanen onderzochten is een van de circa veertig soorten die wereldwijd voorkomen in warme wateren. Onzeker is of vliegende vissen hun vliegvermogen ontwikkelden om energie te besparen of om te ontsnappen aan hun vele natuurlijke vijanden zoals tonijn en makreel. Tegenwoordig zijn vissers de vliegende vis in elk geval te slim af. In het donker komen ze terecht in kano’s die met een loklichtje zijn uitgerust.